Creatieve chaoten op een kluitje

In de loop van de jaren tachtig ontwikkelde Santa Fe zich tot `kennisstad'. Hier kwamen onderzoekers en entrepreneurs bijeen die niet alleen de grenzen tussen de diverse wetenschappelijke disciplines wilden slechten, maar er ook nog geld aan hebben verdiend.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was Los Alamos in de Amerikaanse staat New Mexico het centrum van het geheime onderzoek, eerst naar de `gewone' atoombom, daarna de waterstofbom. Hiermee werden nog twee andere belangrijke wetenschappelijke bewegingen op gang gebracht. De eerste was het grootschalig inzetten van computerrekenkracht. Daarmee probeerden de kernfysici zo goed mogelijk de processen te berekenen en simuleren die ze teweeg zouden brengen. Maar tegelijkertijd wisten ze dat die kernexplosies uiteindelijk nooit helemaal voorspelbaar waren. Daarvoor waren er te veel factoren in het geding. Dat werd de aanzet tot de chaos- dan wel complexiteitstheorie. Die gaat ervan uit dat kleine oorzaken onvoorspelbare grote gevolgen kunnen hebben, ondanks de inzet van grote rekencapaciteit.

Vanuit Los Alamos richtten in 1984 een aantal wetenschappers in het nabijgelegen pittoreske Santa Fe een nieuw onderzoeksinstituut op. Met het non-profit Santa Fe Institute wilden ze de grenzen tussen de disciplines overschrijden, mede omdat ze met elkaar een holistische, antireductionistische visie op de natuur deelden. Nobelprijswinnaar Murray Gell-Mann, die zelf steeds meer door de complexiteitsbenadering was gegrepen, werd de eerste president van het Santa Fe Institute. Ook Stuart Kauffman, een van de meer creatieve en radicale `chaoten', kwam over. Daarnaast werden economen als Kenneth Arrow (nog een Nobellaureaat) en Brian Arthur geëngageerd. Met congressen en langdurige workshops werd Santa Fe stilaan een echt wetenschappelijk centrum. Ook onderzoekers die voortbouwden op de nieuwe, fenomenale computerrekenkracht bleken door de stad aangetrokken.

In The Info Mesa beschrijft wetenschapsjournalist Ed Regis hoe onderzoekers en wetenschappelijke entrepreneurs als Dave Weininger, Anthony Rippo en Anthony Nichols al jaren bezig waren slimme programma's te construeren waarmee chemische en biologische componenten tot pure informatielijnen. Daarmee werd het uiteindelijk mogelijk om chemische en biologische proeven helemaal virtueel uit te voeren, dit wil zeggen met de computer in plaats van in laboratoria. Hierdoor is in het voorbije decennium de productiviteit op dit vlak meer dan verduizendvoudigd. Dankzij deze programma's, die door alle grote bedrijven in de sector intussen worden gebruikt, zijn de ontwerpers met hun bedrijfjes – Daylight, Bioreason, OpenEye – inmiddels multimiljonair.

The Info Mesa is een levendig verhaal over het ontstaan van dit `kenniscluster' – al kan ook Ed Regis niet echt verklaren hoe het komt dat zoveel van deze onderzoekers en ontwerpers uiteindelijk in Santa Fe terechtkwamen. Kennelijk gaat dat nu eenmaal zo met de succesvolle gespecialiseerde clusters. Regis' boek had ook rechtlijniger gemogen, met minder vooruitblikken en flashbacks. Voor de beginjaren van het Santa Fe Institute en de ermee verbonden theorieën kun je dan ook nog steeds beter terecht bij het intussen tien jaar oude Complexity. The Emerging Science at The Edge of Order and Chaos van Mitchell Waldrop (Penguin, 1992). Regis dacht blijkbaar: complexiteit, dat kan ik ook! Daar komt bij dat het in de ene alinea nog over het bedrijf Bioreason van Rippo c.s. gaat en in de volgende over de BiosGroup rond Kauffman, toch echt twee verschillende dingen.

Wel komen, net als bij Waldrop, de protagonisten goed uit de verf als mensen van vlees en bloed. De ene (Weininger) verzamelt tweedehandsstraaljagers, de andere (rippo) is een onverbeterlijke seriële ondernemer, en de wellicht belangrijkste (Kauffman) doet het echt voor de wetenschappelijke lol.

Welke conclusies kunnen we hieruit trekken voor de kenniseconomie? De eerste is dat met fundamentele wetenschap goed geld valt te verdienen. Santa Fe is door al deze ontwikkelingen een convergentiepunt geworden voor wetenschappelijke instellingen en dataverwerkingsbedrijven. In zo'n omgeving is het niet nodig wetenschappers in grote instituten samen te brengen. Zestig onderzoekers in een club, dat vinden ze daar al veel. In zekere zin is dat economisch gezien het slechte nieuws. Hoe groot de massa's gegevens ook zijn die er verwerkt worden, dat gebeurt zo snel en automatisch dat er niet veel werkgelegenheid uit voortkomt. Volgens Regis is dit het grote verschil met Silicon Valley, waarvan het succes meer op de productie van hardware is gebaseerd. Santa Fe is zodoende een levendige `kennisstad' geworden, maar zonder de nadelen ervan. Wat weer een pre is om creatievelingen aan te trekken.

Bovendien wordt weer eens bevestigd dat wetenschappelijke doorbraken meestal op de overlapgebieden van de disciplines worden bereikt – toevallig een belangrijke stelling van de chaostheorie zelf. Dat staat in schril contrast met de traditioneel monodisciplinaire organisatie van de wetenschap. De mooiste illustratie hiervan is het verhaal van Stuart Kauffman, die tenslotte zijn theorieën ook loslaat op grootschalige logistieke problemen van bedrijven als South West Airlines en Procter & Gamble. Al werd mij op dit punt de toegevoegde waarde van de complexiteitstheorie niet duidelijk. Na 11 september 2001 is het Kauffmanns BiosGroup overigens niet zo goed gegaan. BusinessWeek meldden onlangs dat het bedrijf is overgenomen en dat daarbij de meeste medewerkers zijn ontslagen. Dit in tegenstelling tot de wetenschappelijke dataverwerkingsbedrjven, die juist geprofiteerd hebben van deze crisis.

Ed Regis: The Info Mesa, uitg. Norton, 2003, ISBN 0-393-02123-9, $35.