Bush heeft in feite de oorlog tegen terreur gestaakt

In het Amerikaanse verkiezingsjaar zal president Bush vooral op binnenlands terrein oorlog voeren, verwacht Timothy Garton Ash.

Zo, dat was dat: Washington is niet meer in oorlog. Heeft president Bush ons in zijn State of the Union niet precies het tegendeel verteld? Inderdaad. Hij zei uitdrukkelijk dat de oorlog nog steeds doorgaat en liet zien dat hij voorbij is. De oorlog tegen terreur (11.9.01 tot 20.1.04). RIP.

Ik bedoel hiermee niet dat de strijd tegen het internationale terrorisme, de schurkenstaten en de verspreiding van massavernietigingswapens niet vrij hoog op de agenda van de Amerikaanse buitenlandse politiek blijft staan. Waarschijnlijk wel. Ik bedoel niet dat Bush niet zal proberen de verkiezingsstrijd te voeren als opperbevelhebber van een land in oorlog. Waarschijnlijk wel. Ik bedoel dat het echte psychologische gevoel in oorlog te zijn, is vervaagd en nog verder zal vervagen tenzij er weer een grote terreuraanslag op Amerikaans grondgebied zou worden gepleegd. ,,Het moorden is doorgegaan'', zei Bush, ,,op Bali, in Jakarta, Casablanca, Riyad, Mombasa, Jeruzalem, Istanbul en Bagdad.'' Goed, ga daarnaar dan maar niet op vakantie.

De buitenlandse politiek zakt op de Amerikaanse agenda naar haar gebruikelijke tweede, derde of vierde plaats. De echte Amerikaanse `oorlog' zal dit jaar de verkiezingsoorlog zijn, en die zal worden gewonnen of verloren op het terrein van economie, onderwijs, gezondheidszorg en `gezinswaarden'. Irak, waar vrijwel dagelijks Amerikaanse militairen sneuvelen, is niet het soort zege waarmee je een verkiezing wint. Van zachte bewijzen inzake ,,activiteiten met betrekking tot een programma van massavernietigingswapens'' (kandidaat voor de wolligste term van het jaar) gaat het hart van de kiezers niet harder kloppen.

Veelzeggend is de volgorde van de toespraak. De State of the Union van vorig jaar was een voorbereiding op de oorlog met Irak. Die begon met een aantal bladzijden over economie, onderwijs en gezondheid en richtte zich toen op de kern van de zaak: de oorlog. De rede van dinsdag begint met de klinkende uitspraak dat ,,honderdduizenden Amerikaanse mannen en vrouwen over de hele wereld zijn ingezet in de oorlog tegen terreur'' en gaat drie bladzijden door over nationale veiligheid, maar richt zich dan op gezondheid, onderwijs en economie. Het belangrijkste komt het laatst.

Het was altijd moeilijk om ons voor te stellen hoe de oorlog tegen het terrorisme zou eindigen. Je kan hierbij niet in pilotenpak op een vliegdekschip landen en verklaren dat de ,,voornaamste gevechtshandelingen'' achter de rug waren, zoals de president deed na de val van Saddam. Dat kan niet bij een mondiale oorlog met een open einde over een abstract begrip. Je kunt een abstract begrip niet gevangennemen. Je kunt angst niet neerschieten. Maar nu weten we hoe de `oorlog tegen terreur' eindigt: met een president die luidkeels verkondigt dat hij doorgaat zoals de oorlog in Irak doorging toen hij beëindigd werd verklaard.

Uiteraard gebruik ik `oorlog tegen terreur' in een bijzondere betekenis, namelijk als ordenend grondbeginsel van een programma van het Witte Huis. Dat is de enige concrete betekenis die `oorlog tegen terreur' ooit heeft gehad. Het is nooit iets geweest als de Tweede Wereldoorlog tegen Hitler-Duitsland of de Koude Oorlog tegen de Sovjet-Unie. Waar woont de terreur? Wie leidt haar leger? De terreuraanslagen van 2001 hebben voorgoed de manier veranderd waarop regeringen over tal van problemen op de wereld denken. Ze hebben ons gevoel van onveiligheid en onze veiligheidsmaatregelen versterkt, en ook wel hier en daar onze bereidheid om ons te verdiepen in de achterliggende oorzaken van die onveiligheid. (Zoals het uitblijven van een billijke vredesregeling tussen Israël en Palestina opvallend afwezig in de presidentiële toespraak van dit verkiezingsjaar.) Maar zullen de eerste tien jaar van de 21ste eeuw de geschiedenis ingaan als die van de oorlog tegen terreur? Ik vermoed van niet. Ik denk veeleer dat dit de titel zal zijn van een hoofdstuk in de Amerikaanse geschiedenis van de Verenigde Staten, en dat de jaartallen daarachter tussen haakjes wel eens `2001-2004' zouden kunnen zijn.

Dit is natuurlijk een gewaagde voorspelling; één nieuwe grote terreuraanslag op Amerikaans grondgebied en ze slaat nergens meer op. Maar we moeten altijd uitgaan van zinnige veronderstellingen. Als deze veronderstelling juist is, dan is een van de boeiende vragen: wat betekent dat voor de rest van ons, met name in Europa? Het akelige antwoord zou wel eens kunnen zijn dat wij met het krijsende kind worden opgescheept.

Ik heb nooit als het grootste gevaar van Bush' politiek gezien dat overal ter wereld halsoverkop de ene dictator na de andere zou worden afgezet en het ene land na het andere zou worden bezet, als gevolg van een neoconservatieve `revolutie van boven'. Het grootste gevaar was altijd dat de Verenigde Staten ergens intervenieerden en zich dan weer zouden terugtrekken in hun `onmetelijke onverschilligheid', in beslag genomen door binnenlandse thema's, en het buitenlandse karwei half afgemaakt zouden achterlaten.

Het is begrijpelijk dat Amerika een jaar of twee na de aanslagen van 11 september 2001 door het dolle is gebleven. Terroristen en dictators zijn daar doodsbenauwd van geworden, maar ook veel bondgenoten en vrienden van Amerika. De neoconservatieven hebben even, op een verhit moment, als enigen de agenda mogen bepalen. Maar dat is nu voorbij. `Volgende station: Syrië' is geen veelgehoorde boodschap meer. In Irak streven de VS, om met Bush te spreken, naar ,,volledige Iraakse soevereiniteit'' eind juni.

Wat betekent dit voor het Midden-Oosten als geheel? Blijvende ellende. Wie heeft het meest rechtstreeks met die ellende te maken? Europa. Niet dat Amerika zich zomaar zal afwenden; zo duidelijk gaat dat nooit. Middenin de State of the Union stond een korte passage die de boodschap versterkte die Bush afgelopen november in Londen achterliet. De VS, herhaalde hij, zouden in het Midden-Oosten een ,,voorwaartse vrijheidsstrategie'' voeren. Maar hij voegde daar wel één specifiek voorstel aan toe: verdubbeling van het budget voor de National Endowment for Democracy en concentratie daarvan op de ontwikkeling van ,,vrije verkiezingen, vrije markten, een vrije pers en vrije vakbonden in het Midden-Oosten.''

Dat is dynamiet. Ik heb de uitwerking gezien van de National Endowment for Democracy samen met de Britse Westminister Foundation for Democracy en andere semi-overheids- en non-gouvernementele organisaties in Oost-Europa en op de Balkan. Zonder hun werk zou in Servië Milosevic misschien niet door een revolutie zijn verdreven.

Voeg hierbij de boodschap dat de corrupte Arabische olie-elites niet meer de onvoorwaardelijke steun van Washington genieten, en we zouden wel eens vuurwerk kunnen zien. Geen laser-gestuurd Amerikaans legervuurwerk uit de lucht, maar Arabisch emancipatievuurwerk van de grond.

Dat deze steun aan democraten in spe `bezoedeld' wordt door de associatie met de Verenigde Staten, die neo-imperialistische bezetter van Arabisch land, zal de lont denk ik wel vochtig maken, maar niet doven.

Wij in Europa moeten voor onszelf bepalen hoe we staan tegenover dit onvoorspelbare, maar in principe welkome proces. Amerika mag de lont aansteken, maar wij zullen de hitte voelen niet in de laatste plaats door onze eigen moslimbevolking. Uiteindelijk hebben we ook het meest te winnen. Washingtons `oorlog tegen terreur' mag dan misschien voorbij zijn, de campagne voor vrijheid in het Midden-Oosten is nog maar net begonnen.

Timothy Garton Ash is directeur van het Centrum voor Europese Studies van het St. Antony's College in Oxford.