Brussel: meer concurrentie in EU

De EU-lidstaten moeten veel meer doen om in de buurt te komen van de doelstelling om de Europese Unie in 2010 tot de meest concurrerende economie te maken. De tussentijdse doelen voor 2005 worden niet gehaald.

Deze waarschuwing heeft de Commissie gisteren geuit in haar jaarlijkse rapportage over het `Lissabon-proces' ter voorbereiding van de EU-top eind maart. In 2000 spraken de EU-regeringschefs af dat de EU in 10 jaar de meest concurrerende economie zou zijn met behoud van sociale cohesie. ,,Lidstaten schijnen zich niet te realiseren dat 2010 al om de hoek ligt'', aldus Commissie-voorzitter Prodi. Hij verwacht wel veel van de aanstaande nieuwe lidstaten ,,wegens hun ervaring met hervormingen en hun wil hiermee door te gaan''.

De lidstaten die bovengemiddeld presteren zijn Denemarken, Groot-Brittannië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zweden. Wel kreeg Nederland gisteren in een ander Commissie-rapport kritiek voor achterblijvende prestaties in onderwijs en innovatie. De Commissie noemt als prioriteiten voor de EU: uitvoering van het groeiinitiatief voor investeringen in infrastructuurnetwerken en kennis, meer ouderen aan het werk, versterking van ondernemingen door een betere interne markten, en uitvoering van een actieplan voor milieutechnologie voor duurzame economie.

Zij wijst op de ,,groeiende kloof'' met vooral de VS bij onderwijs en onderzoek & ontwikkeling (r&d). De publieke uitgaven in de EU voor onderwijs wijken met 4,9 procent van het bbp weinig af van die in de VS (4,8 procent) en zijn zelfs groter dan die in Japan (3,6 procent), maar in de VS draagt de privé-sector vijf keer en in Japen drie keer zoveel bij aan onderwijs. De groei in de uitgaven voor r&d met jaarlijks 4 procent is onvoldoende om te bereiken dat de r&d-uitgaven in 2010 op 3 procent van het bbp liggen in plaats van nu 2 procent. De bijdrage van informatie- en communicatietechnologie (ict) aan de productiviteit is in de EU de helft van die in de VS. De Commissie wijst ook terugvallende private en publieke investeringen.

Verder ligt in de VS de arbeidsparticipatie hoger (zie grafiek). Wel wijst de Commissie op vooruitgang, maar meer hervormingen in arbeidsmarkt en sociale stelsels zijn nodig. De gemiddelde participatiegraad in de EU steeg van 62,5 procent in 1999 naar 64,3 procent in 2002. Dat is te weinig om in 2005 de doelstelling van 67 procent te halen. De Commissie noemt de trend in de arbeidsdeelname van 55-plussers ,,zorgwekkend''.

De Commissie verwijt de leden ,,gebrek aan politieke wil'' om op een aantal punten interne markt en concurrentiekracht te versterken: omzetting van EU-richtlijnen in nationale regels, EU-patent, erkenning van beroepskwalificaties, bescherming intellectuele eigendom, gemeenschappelijke belastinggrondslag voor firma's.