Arbeidsverdeling 2

Paul Scheffer ziet een feitelijk detail over het hoofd. De Nederlandse tuinbouw breidde sterk uit in vrije teelten, vooral sierteelten zoals snijbloemen, potplanten en bloembollen. Voor deze teelten ontvangen de tuinders geen hectaretoeslagen en verder vallen zij vrijwel buiten de Europese marktordening van importheffingen, exportsubsidies en productiebeperking. Openstellen van onze markten is hier dus niet aan de orde. Kijk naar groenten uit verre streken in de winkelschappen, en naar de bloemen die Schiphol passeren om hier op veilingen te worden verhandeld. Planten groeien onder de brandende zon van Noord-Afrika en bij een krappe watervoorziening echt niet beter dan in ons koude kikkerland.

Het milieuargument van Scheffer scheert eveneens langs de werkelijkheid. Om verwende consumenten te bedienen, ontkomt een tuinder zelfs in een warm klimaat niet aan een beschermd teeltsysteem, d.w.z. onder glas of plastic. Daarbij is in de warmte van de subtropen veel energie nodig voor koeling. Verder zal een intensieve (chemische) bestrijding van schimmels nodig zijn: de infectiedruk is daar hoger dan hier. Energie voor oogsttransport naar onze markten telt ook mee op de energiebalans van `stoken' (hier) versus `koelen plus verder transporteren' (daar). Maar de tuinbouw verdwijnt niet uit Nederland; daarvoor zijn de voordelen van het klimaat in Nederland (koele zomers, zachte winters) te belangrijk, dit in combinatie met een voorsprong in knowhow en handelsinfrastructuur. Een andere suggestie van Scheffer is om werk te maken van het opkrikken van de lage arbeidsparticipatie onder allochtonen in Nederland. Het zal beslist niet helpen, wanneer de busjes die nu dagelijks heen en weer rijden tussen de oude stadswijken van Den Haag en het nabije Westland, stil komen te staan.