Texaanse kettingzaag weer eng

Angst en afkeer zijn de beste beloningen voor een horrorfilm en The Texas Chainsaw Massacre verdient zijn beloning. De film is eng, akelig en hard. Hij is zeker minder goed dan het origineel uit 1974, dat om het maar eenvoudig samen te vatten, origineler was, speelser, hysterischer en mooier, grauwer gefilmd. Deze is meer gelikt van uiterlijk, maar wel grimmiger in zijn meedogenloosheid. Om het verschil te duiden, een vleeshaak was in 1974 een ruige kapstok die even achteloos werd gebruikt, hier is het een martelwerktuig dat we uitentreure te zien krijgen.

Tussen 1974 en 2003 zijn er drie filmvervolgen op de eerste Massacre geweest, die geen van alle de vergelijking met het eerste deel konden doorstaan. Deze kan dat wel, deze komt in de buurt. Misschien helpt het dat de cameraman van het origineel, Daniel Pearl, ook nu weer de camera voerde. Hoewel het verschil enorm is. In 1974 debuteerde Pearl met een dynamische stijl vol korrelige duisternis. Nu zie je zijn ervaring als reclame- en videoclipmaker door de uitgekiend belichte beelden heen schemeren.

Het was heel verstandig van scenarioschrijver Scott Kosar om flink af te wijken van het origineel. Zo nam hij de ruimte om een eigen koers voor de remake uit te zetten. Zoals gezegd, de remake is grimmiger, een mooi contrapunt bij de vrolijke slasher-movies die de afgelopen jaren tienerhits werden en waarbij iedereen giechelend uit de bioscoop liep. Die verstrooiing biedt The Texas Chainsaw Massacre niet.

Het draait allemaal om Tommy `Leatherface' Hewitt, en om zijn familie (was bij het origineel de slogan niet a family that slays together, stays together – een familie die samen slacht, blijft samen?). Hij komt als een schim tevoorschijn, hakt een jongen dood en verdwijnt weer. Zo leren we hem kennen.

We wisten natuurlijk al dat het gezellige uitje van een groepje vrienden op weg naar Dallas niet gezellig zou blijven, zodra in hun busje een gillende liftster zichzelf door het hoofd schoot. Met dat lijk achterin zoeken ze een politieman en worden ze naar een verlaten molen gestuurd waar het duidelijk niet pluis is. (In het gras vinden ze een rijtje losse tanden aan een beugel.)

De eerste keer dat wij Leatherface goed kunnen zien, is wanneer de tweede jongen het betonnen huis van de slachtersfamilie betreedt en opa Hewitt woedend met zijn stok op de grond stampt en roept: ,,Bring it! Bring it, boy!'' Waarna de stalen toegangsdeur tot de martelkelder opengaat en Leatherface daar staat met zijn masker van mensenhuid en zijn razende kettingzaag.

Dit is horror, maar wel buitenaardse horror. Het wonderlijke van het origineel was dat er, ondanks de uitzinnigheid van de moordpartijen, de suggestie van uitging dat dit je buren hadden kunnen zijn. De Hewitts kibbelden als een gewoon gezin, Leatherface moest koken. Dat gevoel van alledaagsheid ontbreekt hier. Het is alsof de tieners van nu door een parallelle poort zijn gestapt naar een andere wereld. In die zin was het origineel ook een typisch produkt van de jaren zeventig, een bijzonder introspectieve periode in Hollywood, met knappe psychologische angstfilms als Three Days of the Condor.

In de remake is Leatherface een monster tout court. Okee, we zien nog wel even zijn echte gezicht en snappen dat de opmerking van zijn moeder dat hij ,,een huidziekte heeft'', een eufemisme is. Maar verder bestaat hij enkel en alleen om te martelen. Dat is dan ook de grootste troef van de film, de martelingen. We zien hem in de weer met messen, we zien hoe hij met crème de wond van een afgezaagd been dichtsmeert en, het ergste, we zien dat hij zijn slachtoffers laat leven.

Texas Chainsaw Massacre. Regie: Marcus Nispel. Met: Jessica Biel, Andrew Bryniarski, R. Lee Ermey, Eric Balfour. In: 60 bioscopen.