Museummacht

De M, de machtigste letter in het alfabet, beleeft hoogtijdagen. De M van Massa en van Mode, van Meer, Mooi en Marketing (en inderdaad, ook van zeker Maandblad, maar daar gaat het nu niet over).

Grote M's op blauwe banieren lokken de toeristen naar de nieuwste ingang van het Rijksmuseum. De M's van de Meesterwerken natuurlijk, in bredere kring bekend als Masterpieces. Maar er zijn geruchten dat het de bedoeling is dat we het Rijks in de toekomst kortweg `het Museum' gaan noemen. Het Museum, u begrijpt: de rest telt niet mee.

Onder een oude poort in de museumtuin die niemand ooit had opgemerkt – is elke M niet een poort, elke poort een M? – betreden we het pad naar de ingang van de museumvleugel die de komende jaren aan de verbouwing ontsnapt. Daar biedt het Museum nu een samenvatting van zichzelf. De M van kunst voor Miljoenen, vierhonderd topstukken bij elkaar.

Die eeuwenoude poort, in lagen van bak- en natuursteen, is heel mooi; wie vraagt welk oud stadje hem nu moet missen (en sinds hoe lang al?) is een kniesoor. In de tuin staan twee parkbankjes vanwaar je een aardig uitzicht hebt op Cuypers' gebouw. Aan deze kant lijkt het nog het meest op een rijk versierd groot-seminarie. Hoog tegen een muur hangt een affiche met een letter M over een detail uit een schilderij van Vermeer heen: de M van Melkmeid! Eigenlijk is het alleen de bovenste helft van een M. De beeldmerkmaker speelt met zijn merk, ons oog moet getraind raken.

Binnen staat de M voor Merkx, Evelyne, de ontwerpster die na haar restauratie van de Grote zaal van het Concertgebouw de lieveling van cultuurminnend Nederland werd. Haar pijnlijk mislukte zalen in knalkleuren voor de Gouden-Eeuw-expositie in het Rijks, pardon het Museum (2000), hebben niet verhinderd dat zij opnieuw werd ingeroepen voor De Meesterwerken. Motieven werden dit keer haar ding. Motieven uit oud damast, die, tot sjablonen opgeblazen, de muren tooien.

Op de begane grond, waar meer voorwerpen en minder schilderijen te zien zijn, is het tamelijk vol en schemerig. Een machtige zilveren schaal in een vitrine licht daardoor in het lamplicht op als een verbijsterende lap gekreukeld zilverpapier. Mooi! Het publiek volgt netjes de route en geniet van dit overzichtelijke, beknopte museum. Beseffen de buitenlandse toeristen wel dat ze hier een gecondenseerde versie zien, waarin schatten zonder tal ontbreken? Maar ja, zo'n compilatie van hoogtepunten is ook wel efficiënt, als je vanmiddag toch door moet naar Brussel.

En het moet gezegd: je ziet ze als nieuw, de museumschatten die zijn uitverkoren. Het Delfts blauw glimt onder de onverwachte belangstelling. Die witte kan! Die excentriek gevormde specerijenpot! Boven stralen de Rembrandts en de De Hooghs als nooit tevoren. Alleen de kleine schilderijen, waaronder de Vermeers, lijden jammerlijk in hun al te grote zalen. Zij kunnen niet op tegen de overheersende bronskleur van Merkx' damastmotieven.

Daar spreekt de kniesoor weer, de meeste mensen zijn geen kniesoren. Het Museum is aangeraakt door de geest van de tijd, de mensen zijn blij. Dankzij bruiklenen aan andere musea (met kleine m's) van Assen tot Antwerpen zullen veel collecties uit het gesloten Rijks de komende jaren toch tot hun recht komen. Alleen het Rembrandthuis, de plaatselijke concurrentie, krijgt niks. Miezerigheid met een grote M.

Het zijn wonderlijke tijden. Megalomane verbouwingen teisteren het land, en vooral Amsterdam; tegelijk viert de middelmatigheid triomf na triomf. Je zou er weemoedig van worden – melancholiek bedoel ik. Maar daar hebben we het een ander keertje wel over.