Een school voor politici

Iemand die carrière in de politiek, het openbaar bestuur wil maken en er zich op heterdaad op laat betrappen dat hij/zij in de supermarkt, plotseling, tegen beter weten in een blikje of doosje achterover probeert te drukken, moet een andere broodwinning zoeken. Niet omdat deze delinquent geen bestuurlijk genie zou kunnen zijn, maar omdat hij zich misschien zou kunnen ontpoppen als een impuls-kleptomaan. En dan is het absoluut zeker dat zijn politieke vijanden, `de media' en dus het publiek zich van zijn tekortkoming zullen meester maken, waarna de ondergang hem wacht.

Niet door die kleine diefstal, maar door de reusachtige storm die erop volgt, is hij ongeschikt voor het openbare beroep geworden. Vrienden heeft hij niet meer. Die zijn voorlopig uit het zicht verdwenen. Hij is omringd door jakhalzen, die, wedijverend in vrome gulzigheid, recht op hun eigen hapje eisen.

Ik ben zo vrij, mijn persoonlijk oordeel over Rob Oudkerk voor me te houden. Toen Bill Clinton zich iets vergelijkbaars op de hals had gehaald, heb ik Louis Ferdinand Céline geciteerd, uit zijn Reis naar het einde van de nacht, het gesprek met de Napoleon-kenner Parapine. Die vertelt hoe de keizer, verslagen, op de terugtocht, eigenlijk nog even langs gravin Walewska in Warschau wilde, met dezelfde motieven die de wethouder naar de Theemsweg brachten. Céline: ,,Dat is nog het meest trieste. Het enige waar we aan denken! In de wieg, in de kroeg, op de troon, in de wc. Overal! Overal! Ons piemeltje! Napoleon of geen Napoleon! [...] Zo loopt altijd alles af!' (vertaling E.Y. Kummer)

Zo is het toen ook met Clinton gegaan. Eerst kwam Matt Drudge met zijn verhaal op internet, daarna barstte de storm los. De bijzondere aanklager Kenneth Starr kreeg de opdracht, de zaak microscopisch, tot de laatste molecuul te onderzoeken en schreef zijn rapport dat een bestseller werd. L'enfer c'est l'Amérique, zette Le Monde boven zijn hoofdartikel. Zo was het. `De media' ter plaatse volgend, begreep ik niet hoe Clinton erin slaagde, zijn presidentenwerk nog met deze aanhoudende storm van beledigingen, vernederingen, ridiculisering te verenigen.

Ja, hij had zijn affaires gehad, daarover gelogen. Maar hij bleef overeind, overleefde tot onmetelijke verbittering van zijn vijanden de poging tot impeachment. Daaruit mag blijken dat hij op den duur voldoende trouwe vrienden had, althans mensen die deelgenoot waren in het politiek belang van zijn overleven.

Vergelijkbare kwesties hebben we hier voornamelijk in het koninklijk huis gehad, en dan zijn de ministers verantwoordelijk. Heel lang geleden was er een minister van Defensie, Sidney van den Bergh, van wie bekend werd dat hij een vriendin in Brazilië had. Na de eerste berichten trad hij af. Na veel treurige ervaringen met de Britse boulevardpers heeft vorig jaar prins Charles het zekere voor het onzekere gekozen en een gerucht tegengesproken waarvan niemand wist wat het behelsde. Ook geen feilloze remedie, want daarna wilde iedereen er alles van weten. Het ging over een butler. De dynastie heeft het overleefd.

Wat leren we uit al die verhalen? Ten eerste dat hier, vooral in het voormalig calvinistisch deel van de westelijke wereld, de dubbele moraal heerst. Media die in hun hoofdartikelen, de programma's waarin hun eigen standpunt tot uitdrukking komt, de hoogste beginselen verdedigen, zien er volstrekt geen bezwaar in tegelijkertijd een paar pagina's of een uitzending verder alle vraag en aanbod op de seksmarkt te bedienen. En verreweg het grootste deel van het publiek vindt dit ook geen brief aan de redactie waard.

Het probleem begint pas, als iemand met een `voorbeeldfunctie' zich van een andere kant laat zien. Hij heeft iets gedaan wat voor anderen de gewoonste zaak van de wereld kan zijn. Dat hij iedere dag weer bezig is geweest, een openbaar voorbeeld te geven, heeft nooit effect gehad.

Maar nu valt hij door de mand. Nu blijkt dat hij in werkelijkheid iemand anders is dan degene die hij voorwendde te zijn. Hij heeft gelogen. Hij is ook een `gewoon mens'. Dát wordt hem kwalijk genomen, en tegelijkertijd is hij daarmee een bron van hoon en leedvermaak geworden. `De media' exploiteren dan de onverzadigbare behoefte aan leedvermaak. `De media' en `het publiek' verenigen zich in een uitbarsting van schijnheiligheid waarin het voormalig voorbeeld reddeloos ten onder gaat. Het deelnemen aan de uitbarsting op zichzelf is al een vorm van entertainment. Dat een minderheid het een wansmakelijke voorstelling vindt, is haar zaak.

Nu woedt de discussie over de schuldvraag. Mij lijkt maar één antwoord mogelijk. De wethouder zelf heeft de schuld. Daarna komen de verklikkers uit zijn omgeving en eventueel uit de ambtenarij die lieten lekken wat ze zorgvuldig moesten bewaren. Een sleutelfiguur is de columniste van Het Parool, die, het mechanisme van de publiciteit kennend, wist dat ze hem definitief zou ophangen. Dat is dan gebeurd met medewerking van de hoofdredactie, zoals John Jansen van Galen gisteren op de voorpagina van dezelfde krant heeft vastgesteld.

Misschien is Oudkerk zelf al in 2002 gewaarschuwd. Dan heeft hij niet geluisterd, d.w.z. zichzelf overschat. Daarmee stond het al vrijwel vast dat eens de orkaan zou opsteken. Een hetze? Dat is weer zo'n geladen woord, een vruchteloze veroordeling van wat in deze tijd tot een natuurverschijnsel nadert.

Dat valt niet te verbieden. Bestond er een school voor politici, dan zou hetze-vermijding een hoofdvak moeten zijn.

Zaterdagavond verscheen bij `Knevel op zaterdag' de leider van de Amsterdamse PvdA-fractie, Tjalling Halbertsma. Andries Knevel kon in zijn vragen zijn verontwaardiging nauwelijks bedwingen. Bent u niet bang dat uw partij schade zal oplopen, vroeg hij. Nog voor Halbertsma kon antwoorden, likte Knevel zijn lippen af. Burgemeester Cohen heeft de kwestie samengevat: ,,Hier zijn geen winnaars.'' Dat is de fatsoenlijke conclusie. Maar op het gebied van entertainment van de dubbele moraal hoort Amsterdam er nu ook bij.