Stenen beelden in stukken gezaagd

Archeologische en koloniale kunstschatten worden massaal geroofd uit Zuid-Amerika. De Rode Lijst van de musea moet deze kunstroof indammen.

,,Een van de ergste aanslagen op het cultureel erfgoed van Latijns Amerika doet zich voor in het grensgebied tussen Perú en Bolivia. Georganiseerde bendes leggen zich toe op het plunderen van tempels, kerken en kloosters van de zuidelijke Andes en de Andes hoogvlakte. De geroofde kunstwerken worden vervoerd naar La Paz en komen vandaar op Europese en Noord-Amerikaanse markten.''

De Peruaan Luis Repetto Málaga, voorzitter van de sectie Latijns Amerika en het Caraïbisch gebied van de ICOM (International Council of Museums) strijdt al jaren tegen de illegale handel van kunstvoorwerpen in Latijns Amerika. Gisteren was hij in Leiden waar in het Rijksmuseum voor Volkenkunde de `Rode Lijst' van bedreigde voorwerpen werd gepresenteerd, opgesteld door de ICOM in samenwerking met 60 experts uit Latijns Amerika, de Verenigde Staten en Europa.

Eerder al publiceerde de ICOM rode lijsten voor het Afrikaanse continent en voor Irak. ,,Daarmee zijn goede resultaten geboekt'', zegt Manus Brinkman, secretaris-generaal van de ICOM in Parijs. ,,Er is bijvoorbeeld bijna geen handel meer in de nok-sculpturen, de terracotta beelden uit West-Afrika. Ook van de Iraakse kunst die tijdens de oorlog verdween is mede dankzij de lijst vrij veel teruggevonden. De groei in Latijns Amerika houdt verband met de globalisering, het toenemend toerisme, internationale drugsbendes en het witwassen van zwart geld. Er wordt ook steeds meer geld voor betaald. Archeologische voorwerpen zijn in de mode. Je kunt geen modieus tijdschrift opslaan of je ziet ze in interieurs staan.''

Steeds meer voorwerpen van archeologisch en kunsthistorisch belang verlaten het continent. Een van de belangrijkste oorzaken van de toename is dat de drugssyndicaten zich van de illegale kunstmarkt hebben meester gemaakt. De kunstroof vormt een ernstige bedreiging voor het archeologisch onderzoek in Latijns Amerika. Misdaadsyndicaten betalen volgens het ICOM de lokale bevolking om vindplaatsen te plunderen. Vaak slaan ze 's nachts hun slag op verlaten terreinen en gaan met hakbijlen, tractoren en zelfs explosieven te werk. Grote stenen beelden worden soms in schijven gezaagd en worden na vervoer weer in elkaar gezet.

De vindplaatsen, vaak de enige bron van informatie over bepaalde perioden, verliezen zo de historische context en worden waardeloos voor de wetenschap. Naast de archeologische objecten worden ook op grote schaal zogenoemde koloniale kunstschatten, zoals religieuze beelden, schilderijen en liturgische voorwerpen uit kerken, kloosters en andere monumenten slachtoffer van roof en plundering.

Van de verdwenen kunst komt 95 procent niet meer boven water, al worden af en toe objecten in beslag genomen. Zo ontdekte de douane in Seattle in 2001 honderden pre-columbiaanse voorwerpen en stuurde ze terug naar de landen van herkomst. Het meeste verdwijnt echter voorgoed in privéverzamelingen. Brinkman: ,,Er zijn nog maar weinig musea die hun handen daaraan willen branden. Veel gaat naar verzamelaars in de Verenigde Staten, al doet de overheid daar veel om de smokkel tegen te gaan.''

De rol van de drugshandel is een alarmerende ontwikkeling, vindt Repetto Málaga van de sectie Latijns Amerika en het Caraïbisch gebied. ,,Omdat het moeilijker is geworden drugsgeld bij banken onder te brengen, investeren misdaadsyndicaten in kunst om geld wit te wassen. In Perú komt, na de drugshandel, de handel in kunstvoorwerpen al op de tweede plaats als meest lucratieve illegale activiteit'', aldus Repetto, die ook constateert dat een flink deel via diplomatieke kanalen verdwijnt richting Europa en Japan. Een ander, vrij recent probleem is volgens hem de opkomst van fanatieke reli-groepjes. ,,Vooral in Perú en Ecuador komen steeds meer kleine, evangelische sekten die hun volgelingen verplichten afstand te doen van alle religieuze voorwerpen. Soms belanden deze zelfs op de brandstapel.''

In Latijns Amerika bestaat wetgeving ter bescherming van het cultureel erfgoed, maar de handhaving verschilt van land tot land en is soms gebrekkig geregeld. Internationaal is in 1970 de conventie van Unesco tegen de illegale handel in cultuurbezit opgesteld, gevolgd door het meer specifieke Unidroit uit 1995, dat handel in gestolen en illegaal geëxporteerde voorwerpen moet tegengaan. De Unesco-conventie is door 101 landen geratificeerd, waaronder de meeste landen in West-Europa. Nederland heeft tot nu toe laten afweten, ondanks toezeggingen van de voormalig staatssecretaris van Cultuur, Van Leeuwen, zo werd gisteren in Leiden met enige schaamte geconstateerd.

Repetto vindt dat er ook een mentaliteitsverandering nodig is bij de kopers. ,,Toeristen die iets krijgen aangeboden en verzamelaars moeten zich bewust worden dat de aankoop van illegale objecten een misdrijf is, waarmee onherstelbare schade wordt toegebracht aan het cultureel erfgoed. Dat dit verkwanseld wordt, heeft mede te maken met de persoonlijkheid van de verzamelaar. Die wil nu eenmaal naar `zijn' eigen object kijken, het is bijna een ziekte.''