Rapport ontbeert nieuwe inzichten

Ondanks gebreken is het rapport van de commissie-Blok een relevant document dat politici tot bescheidenheid zou moeten stemmen, vindt Godfried Engbersen.

De titel van het rapport Bruggen Bouwen past in een rijke Hollandse waterbouwtraditie en geeft aan dat op een meer welwillende manier naar migratie en integratie is gekeken. Niet langer voeren watermetaforen de boventoon die duidelijk moeten maken dat Nederland wordt overstroomd door migranten en dat een deltaplan nodig is voor het behoud van de eigen cultuur en identiteit, nee, er moeten nu bruggen worden gebouwd. Het is een sympathieke titel van een genuanceerd, maar op een aantal punten ook te zorgeloos rapport.

De belangrijkste conclusie is dat integratieprocessen zich relatief onafhankelijk van het minderhedenbeleid hebben voltrokken. Dat gebeurt overigens in alle immigratielanden. Migranten moeten het vooral zelf doen. Wel mis ik de waarneming dat het minderhedenbeleid altijd een vrij machteloze tak van beleid is geweest en in de schaduw stond van drie grote departementen: Onderwijs, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Vooral op deze laatste twee departementen heeft men te laat de effecten van eenzijdige bouwprogramma's en lankmoedige uitkeringsregimes ingezien.

Belangrijk is ook de rol geweest van werkgevers en de vakbeweging. Zij hebben in de jaren '70 en '80 werkende allochtonen en autochtonen afgekocht met een uitkering. Het Nederlandse minderhedenbeleid is lange tijd vooral een uitkeringenbeleid geweest. De rol van werkgevers en vakbeweging is overigens sterk onderbelicht in het rapport. De commissie heeft met een stoet van ambtenaren, buurtbewoners, politici, deskundigen en sociaal-cultureel werkers gesproken, maar werkgevers en vakbeweging (met uitzondering van de heer Hofstede) zijn niet gehoord. Het minderhedenvraagstuk had er heel anders uitgezien als eerder werk gemaakt was van arbeidsparticipatie.

Het rapport is niet echt een rapport van een enquêtecommissie. Het onderzoek leent zich, met uitzondering van de rol van bedrijfsleven en vakbeweging, ook niet voor een parlementaire enquête. Er hoefden geen tegels te worden gelicht, bijna alles was keurig gedocumenteerd en gearchiveerd. Het rapport leest derhalve als een langgerekte Minderhedenmonitor van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dat is overigens nuttig, zeker als het gaat om het korte-termijngeheugen van de Haagse politiek, maar het levert geen nieuwe inzichten op. Opvallend is wel de conclusie dat de integratie ,,geheel of gedeeltelijk geslaagd'' is.

De commissie wijst in dit verband terecht op de sterk verbeterde arbeidsmarktpositie en het gestegen opleidingsniveau van veel allochtone groepen, maar gegeven de omvangrijke integratieproblemen die in de grote steden bestaan, is deze conclusie nogal boud. Zij lijkt ook in strijd met meer specifieke analyses die in het rapport staan. In het rapport wordt veel aandacht besteed aan de ruimtelijke concentratie van migranten in de grote steden. `Zwarte wijken' leiden tot `zwarte scholen' en tot begrensde ontmoetingskansen tussen allochtonen en autochtonen en staan een functionele integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving in de weg. Lokale overheden hebben op dit moment weinig middelen om een meer evenwichtige samenlevingsopbouw te realiseren. Het huidige herstructureringsprogramma in de sfeer van de volkshuisvesting (`menging') biedt daarvoor op de korte termijn te weinig mogelijkheden. Lokale overheden dienen derhalve de regie over vraagstukken van samenlevingopbouw terug te krijgen.

Dat impliceert, als ik de commissie-Blok goed begrijp, dat in specifieke situaties grenzen gesteld mogen worden aan de vrije vestigingsmogelijkheden van burgers, evenals aan de vrije schoolkeuze van ouders. In een reactie op het rapport hebben VVD en CDA laten weten de aanbevelingen te vrijblijvend en te algemeen te vinden. Het ironische is echter dat, indien de aanbevelingen van de commissie-Blok over desegregatie daadwerkelijk handen en voeten krijgen, twee centrale politieke principes van CDA en VVD ter discussie komen te staan: de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van vestiging. Het zou mij niets verbazen indien beide partijen deze principes belangrijker zullen blijven vinden dan dat zij deze aanpassen ten behoeve van een doelmatiger integratiebeleid.

Het is ook jammer dat te weinig bruggen geslagen worden naar de toekomst. De migratieprocessen waarmee Nederland wordt geconfronteerd zijn niet eenduidig, maar veranderen in de tijd. Momenteel neemt asielmigratie af en neemt familiemigratie (vooral gezinsvorming) toe, evenals arbeidsmigratie (met name op tijdelijke basis). Nederland zal blijvend geconfronteerd worden met deze drie vormen van migratie en daaruit voortvloeiende processen van integratie. Een adequaat integratiebeleid veronderstelt een weloverwogen toelatingsbeleid waarin geanticipeerd wordt op de integratie van onderscheiden groepen.

Dit rapport is daarvoor beperkt bruikbaar. Er worden, bijvoorbeeld, geen relaties gelegd met actuele beleidsvoornemens op het gebied van huwelijksmigratie (de taaltoets voor bruiden en bruidegommen in eigen land) of met contemporaine debatten over nieuwe vormen van arbeidsmigratie. Ook worden te weinig lessen getrokken uit het falende integratiebeleid voor asielzoekers. Niettemin ligt een relevant document op tafel dat politici tot enige bescheidenheid zou moeten stemmen, indien ze zich uitspreken over integratiebeleid. Die functie heeft het rapport nog niet, gelet op alle stoere, ongeduldige praatjes die Kamerleden nu al weer debiteren.

Prof.dr. G. Engbersen is hoogleraar Algemene Sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.