Laat sentimentalisme niet op talen los

Taalsentimentalisten willen door behoud van de taal de groepsbinding bewaren. Echter, een taalgemeenschap kan heel beperkend en verstikkend zijn, betoogt Abram de Swaan.

De taalkunde heeft van oudsher een normatieve inslag. Het was de linguïsten nooit genoeg om te onderzoeken hoe mensen praten of schrijven, ze wilden hun ook vertellen hoe het moest. Inmiddels heeft zich een heel nieuwe generatie betweters aangediend in de taalkunde: die van de sociolinguïstiek. Maar deze generatie sociolinguïsten heeft een slecht geweten. Ze spreken en schrijven zelf vrijwel vlekkeloos één of meer grote talen, maar zij onderzoeken bij voorkeur het taalgedrag van kleine, geïsoleerde volkeren die hun omgeving nog niet hebben omgeploegd en geasfalteerd, en die nog steeds moeten overleven met de beproevingen en de bestaansmiddelen van regenwoud, steppe, sneeuwvlakte of woestijn.

Andere sociolinguïsten houden zich bezig met het taalgebruik van immigranten die uit de minder welvarende en meestal ook minder democratische landen naar de rijkere en meestal ook vrijere landen in het Westen zijn gekomen. Met hun taal van herkomst zijn ze van ver gekomen en komen ze nu niet verder. Nog weer andere onderzoekers passen de sociolinguïstiek toe op de sprekers van een streektaal, die hoe inheems, hoe eerbiedwaardig ook, wordt verdrongen door de officiële taal, de nationale taal, de landstaal zoals die op staatsgezag is verbreid en opgelegd.

Toch zou geen sociolinguïst hierover schrijven in het Bretons of Welsh. Die talen blijven voorbehouden aan de streekbewoners. De onderzoeker verkiest een taal die hem publiek verschaft en prestige. Dus spreekt men van `linguicide', van taalmoord, op het Welsh – in het Engels – en klaagt men de `glottofagie', de taalvraat van het Bretons aan – in het Frans. De linguïstiek heeft haar missie hervonden, niet langer het correcte taalgebruik voorschrijven, maar de bedreigde talen bescherming bieden.

Wat betekent het eigenlijk dat een taal bedreigd wordt, uitsterft of al dood is? Het betekent niets anders dan dat de mensen die zo'n taal kennen haar steeds minder gebruiken, de finesses gaan verwaarlozen, steeds meer gebruikmaken van een andere, rivaliserende taal en ten langen leste de oorspronkelijke taal niet langer aan hun kinderen leren en haar zelf goeddeels vergeten. Een taal bestaat in het gebruik dat mensen er met elkaar van maken. Dat is de grondslag van de sociolinguïstiek. Een taal gaat niet dood, laat staan dat ze vermoord wordt. De mensen die de taal spreken houden er gaandeweg mee op. Het is dus beter om niet van taalsterfte te spreken, maar van taalverlating.

Het spreekt vanzelf dat een taal die in onbruik dreigt te raken, op elke mogelijke wijze moet worden vastgelegd en beschreven. Dat is bij uitstek de taak van linguïsten. Maar soms is een taalgemeenschap te klein om te kunnen voortbestaan en moeten de leden wel een grote taal leren om te overleven. Daarmee gaat iets verloren van de verscheidenheid aan talen, maar het is daarom nog geen verlies aan cuturele diversiteit. Kleine taalgroepen hebben nauwelijks deel aan andere culturen, de sprekers van de grote talen krijgen juist toegang tot een enorme culturele verscheidenheid.

Bovendien, ongelijke sociale verhoudingen, machtsongelijkheid, inkomensverschillen, verschillen in sociaal prestige hangen maar zeer ten dele samen met verschillen tussen taalgemeenschappen. Minstens zo grote verschillen bestaan tussen de mensen binnen zo'n gemeenschap. Gelijkberechtiging van talen kan daar al heel weinig aan veranderen.

De beweging voor taalrechten, tegen taalimperialisme, tegen `linguïcisme en linguïcide', is losgeraakt van de sociolinguïstiek. In plaats van theorie komt valse beeldspraak: de vergelijking van uitstervende talen met uitstervende plant- en diersoorten. Een hele beweging is gebaseerd op deze denkfout. Want om een soort in stand te houden, is het genoeg dat de mensen haar habitat met rust laten. Maar om een taal te behouden, moeten mensen haar juist blijven spreken, ook onder radicaal veranderde omstandigheden, als het moet tegen heug en meug. Talen zijn immers mensenwerk.

Waar waarneming en theorie ontbreken, komt een beroep op mooie gevoelens: de korenwolf, dat lieve dier, is nergens meer te bekennen, de panda, dat zwartwitte knuffelbeest, is vrijwel uitgestorven, het Bretons, die mooie taal, is ook al ernstig bedreigd, het eeuwenoude Sorbisch staat op verdwijnen en ondanks hoge overheidsbescherming voelt zelfs het Fries zich al een tijd niet lekker meer. Het komt in wezen neer op sentimentalisme, op taalsentimentalisme.

In tal van manifesten, verklaringen en resoluties wordt de meertaligheid voorgesteld als een verrijking, als een meerwaarde (die `verzilverd' wordt), en als de noodzakelijke voorwaarde voor een multiculturele samenleving die ook alweer in zichzelf een waarde vertegenwoordigt. Maar de meertaligheid staat tamelijk los van de multiculturaliteit. Tijdens de verzuiling bevochten roomse, protestantse, liberale en rode zuilen elkaar in één en dezelfde taal. Toen was Nederland veel multicultureler dan vandaag. Dat lag aan de geloofsverschillen.

Het zijn de wettelijk gewaarborgde rechten en vrijheden die de diversiteit van gedachten, gevoelens, levensovertuigingen moeten waarborgen en die in zichzelf intrinsieke ethische waarden belichamen.

Het taalsentimentalisme vereenzelvigt de taal met de groep, en wil door taalbehoud de groepsbinding bewaren. De machtsverschillen binnen groepen, de prestigeverschillen tussen de registers van eenzelfde taal worden daarbij genegeerd.

Die groepsbindingen kunnen bovendien ook best bewaard blijven als de groepstaal al teloor is gegaan. Je kunt heel goed Breton zijn zonder Bretons, Ier zonder Iers, jood zonder Jiddisch, Fries zonder Fries en katholiek zonder Latijn.

Waarom zou een Friezin Fries moeten praten, of Fries moeten doen? Misschien is zij liever punk, of boeddhiste. De taalgemeenschap kan heel beperkend en verstikkend zijn. Behoud van de taalgemeenschap betekent heel dikwijls ook de voortgezette onderdrukking van vrouwen, kinderen, jongeren, bezitslozen, devianten, dissidenten.

De taalgemeenschap is vaak ook geloofsgemeenschap. Maar dezelfden die zich opwerpen als verdedigers van de bedreigde talen, malen niet om de vernietiging van de bijbehorende religies. Integendeel, de verdediger bij uitstek van de kleine etnische talen is het Summer Institute of Languages (Dallas, Texas), opgezet ter bevordering van een radicale evangelische zending die alle inheemse religieuze praktijken vermorzelt met nietsontziende bekeringsdrang.

`Hoe meer talen hoe beter' is de leuze. Maar die veelheid van talen heeft precies het tegengestelde resultaat: hoe meer talen, hoe meer Engels. In de algemene spraakverwarring dient het Engels zich aan als de enige, als de vanzelfsprekende uitkomst. Ook de recente Zuid-Afrikaanse taalwetgeving is ingegeven door de taalrechtenbeweging, gesouffleerd door buitenlandse taalsentimentalisten. Elf talen zijn in de nieuwe grondwet erkend. Maar de bestrijders van het Engels taalimperialisme, op het toppunt van hun invloed, bewerkstelligden het omgekeerde van wat zij bereiken wilden: door de gelijkstelling van zoveel talen werd de hegemonie van het Engels nog steviger gevestigd. Ieder ander had het kunnen bedenken.

Ieder ander?

In Europa kondigde de Unie in 2001 het Jaar van de Talen af. Zoals bekend fungeren in dat taalkundig rampgebied elf officiële talen, en nog eens tientallen kleine talen. Straks zullen er twintig officiële talen zijn en nog veel meer achtergestelde talen. In het Jaar van de Talen `celebreerde' de Commissie de taalverscheidenheid (die zou bijdragen tot culturele diversiteit, even onmisbaar als de biodiversiteit). Ook de kleine talen moesten gesteund, bevorderd en versterkt worden. De Europeanen moesten talen leren, zoveel mogelijk verschillende talen. Je zou denken dat als die Europeanen allemaal verschillende talen leren – de Ieren Lets, de Cyprioten Hongaars, de Tsjechen Fins – dat ze elkaar dan nog niet kunnen verstaan.

Ik ben in de propaganda van de Commissie deze bedenking niet tegengekomen. Maar de scholieren en hun ouders waren wel wijzer. Bijna 90 procent van de schoolkinderen in Europa leert Engels als tweede taal. Gelijk hebben ze. Mensen kiezen de taal die hun de kans biedt met het grootste aantal mensen te communiceren én die het grootste percentage meertaligen telt.

Ook het feitelijk effect van de campagne in het Europese Jaar van de Talen was dus precies het omgekeerde van de openlijk beleden doelstelling. Hoe meer talen, hoe meer Engels.

Er is alle reden om talen die op het punt staan opgegeven te worden, zo goed mogelijk te beschrijven en vast te leggen. Daar kan door linguïsten niet genoeg aan gedaan worden. Maar hoe mensen die leven in kleine taalgemeenschappen zich moeten handhaven in hun wijdere omgeving, laat zich niet bij voorbaat en in het algemeen voorschrijven. De taalkeuze is maar één aspect van hun probleem. Zijzelf willen vaak de taal leren die hun de beste kansen verschaft op de arbeidsmarkt. Er is alle reden hen daarin te steunen. Vaak ook verwaarlozen zij de taal die ze van huis uit hebben meegekregen. Het is allereerst nodig om beter te begrijpen hoe dat komt. Misschien zijn ze te overtuigen dat die thuistaal het toch waard is om behouden te blijven.

Daar past de wetenschap geen prediking of hoog vermaan, daar hoort verheldering van de problematiek die het leven met verschillende talen en culturen teweegbrengt.

Abram de Swaan is Universiteitshoogleraar Sociale Wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Deze tekst heeft hij gisteren uitgesproken in de serie `Kort bericht van het kenninsfront', een reeks voordrachten die elke maandag om half zes in het Maagdenhuis aan het Spui in Amsterdam worden gehouden. Een uitvoeriger versie van deze bijdrage is te vinden op www.deswaan.com