Kenniseconomie

Jan Voskamp komt in het artikel `Stop vlucht lagelonenlanden' (NRC Handelsblad, 5 januari) tot de conclusie dat de gevolgen hiervan dramatisch zijn. De gevolgen voor onze economische infrastructuur zijn inderdaad niet te overschatten. Velen zien deze ontwikkeling als onvermijdelijk en houden zich vast aan de naïeve gedachte dat het voldoende is om de regie van de maakindustrie (design en marketing) in eigen land te houden. Deze zogenoemde kop-staart-theorie sluit aan bij de prettige gedachte dat het toevallig ook mooi past, omdat Nederland op weg is naar een hoogwaardige kenniseconomie, waarbij geen plaats meer is voor het `eenvoudige' maakwerk.

Hier wordt echter een strategische denkfout begaan die de Nederlandse economie wel eens duur kan komen te staan. Industrie en Research & Development (R&D) zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is een illusie te denken dat de economische krachten van landen als China en India ons land de ruimte zullen geven een exclusief kenniseiland te vormen, en zich vervolgens tevreden zullen stellen met het door ons uitbestede maakwerk.

Recent onderzoek laat zien dat vele internationale bedrijven met hun productiebedrijven ook aanzienlijke delen van de R&D mee laten vertrekken. Het draagvlak van de zo gewenste kenniseconomie zal zwaar worden aangetast. Er is dus alles aan gelegen om ook maakindustrie in Nederland te behouden. Dat betekent dat er veel meer aandacht zal moeten komen voor productiviteitsverbetering van de bestaande fabricageprocessen. Er zijn genoeg industriële voorbeelden waarbij de loonfactor tot aanvaardbare proporties van 10 à 15 procent van de kostprijs is teruggebracht.