`Je kon het zien aankomen: Parmalat was te gulzig'

Een computermodel van analist Okkerse toont aan dat de val van Parmalat te voorspellen was, net als die van Ahold. Parallel: te veel overnames in korte tijd.

Financieel directeur Fausto Tonna van Parmalat zal het waarschijnlijk ontkennen, maar het zieltogende zuivelconcern zat eigenlijk in 1997 al in de rode cijfers. En het op het oog winstgevende concern bleef verliesgevend tot op de dag van vandaag. Tenminste, dat laat het computermodel van W. Okkerse zien. Eerder baarde hij opzien door in 2002 in een televisieprogramma aan te geven dat Ahold zich in de financiële gevarenzone had begeven, een jaar voordat Ahold in grote financiële problemen kwam. Op grond van de zogeheten OK-score – feitelijk het rapportcijfer van zijn model – waren ambitieuze bedrijven als Ahold, Numico en Buhrmann zelfs al in 2000 te risicovol om in te beleggen.

Bij Parmalat is het niet anders, zo blijkt bij het in aanwezigheid van deze krant invoeren van zo'n 25 kengetallen uit de jaarverslagen van het bedrijf. Op basis van de kengetallen legt het model 150, altijd dezelfde, dwarsverbanden, waar Okkerse overigens niets over kwijt wil. Wel is duidelijk dat naar de gulzigheid wordt gekeken: te veel overnames ondermijnen een bedrijf. In 1997 klopte Parmalat de winst al met ruim 250 miljoen euro op, stelt het model op grond van de ingevoerde data (posten uit de balans en winst- en verliesrekening). Bij een gepresenteerde brutowinst van 187 miljoen euro, leed het bedrijf dus al verlies. ,,Bij elk concern zie je wel dat de winst met enkele tientallen miljoenen euro wordt opgepoetst, maar dat heeft normaliter niets met fraude te maken. Dan kan bijvoorbeeld door een afboeking van het vermogen, die eigenlijk via het resultaat had moeten lopen. Als het goed is, haal je dat gewoon uit het jaarverslag. Bij Parmalat en Ahold was dat onmogelijk.'' Het model constateert feitelijk verlies bij Parmalat, maar tot een waarschuwing voor de belegger komt het dan nog niet. Het zuivelconcern komt in klasse 4 terecht en die klassering geeft aan dat zelfs expansie met vreemd vermogen dan nog mogelijk is. Klasse 1 is voor de beste jongetjes uit de klas; in klasse 10 wacht faillissement.

Tonna deelt waarschijnlijk de visie dat expansie met vreemd vermogen nog mogelijk was, want het bedrijf deed nogal wat acquisities. Na invoering van de gegevens van 1998 duikelt het concern al naar klasse 7. Expansie is dan eigenlijk niet meer mogelijk, zegt het model, en versterking van het eigen vermogen is noodzakelijk. ,,Het bedrijf dat in klasse 7 komt of lager moet direct uit mijn portefeuille. Dus al vijf jaar geleden zou ik de problemen vóór zijn geweest'', aldus Okkerse. Wat vervolgens gebeurt, laat zich raden. Parmalat gaat door met het binnenhalen van vreemd vermogen, vooral via obligaties, en stevent af richting de afgrond. Jaarlijks zegt het bedrijf keurig winst te maken, maar het model is hard in zijn oordeel: de omvang van de opgeklopte winst benadert het half miljard, terwijl de gerapporteerde winst op zijn hoogst 414 miljoen euro is. In 1999 daalt Parmalat af naar klasse 8, dan twee jaar 9 (`zorgwekkend') en in 2002 wordt klasse 10 (`situatie in één tot drie jaar fataal') bereikt.

Op basis van deze OK-score is inmiddels een beleggingsfonds op de markt dat alleen in AEX-fondsen belegt die in klasse 6 of beter zitten. Welke bedrijven dat zijn, zegt Okkerse niet. Ahold en ook Unilever in elk geval niet, want het zeep- en voedingsconcern is volgens de OK-score ook te laag uitgekomen. ,,Sinds juli, de introductiedatum van het fonds, hebben de geselecteerde AEX-fondsen een rendement geboekt van meer dan 15 procent.'' Daarbij is slechts de helft van de ingelegde gelden in aandelen gestoken en dat percentage komt overeen met de AEX-fondsen die in klasse 6 of hoger zitten, aldus Okkerse.

Zijn model acht de helft van de AEX-fondsen niet veilig genoeg om in te beleggen. Wat de criteria zijn, blijft onduidelijk: het model is voor de buitenstaander een black box. De bezwaren van het model zullen zonder twijfel ook voor Ahold gelden, dat de resultaten van 2002 en 2001 vorig jaar drastisch moest bijstellen. ,,In totaal ging dat om 970 miljoen euro. Over die jaren bespeurde mijn model een opgeklopte winst van 1.004 miljoen: ik zat er dus 34 miljoen naast.'' Het is voor Okkerse te hopen dat de Vereniging van Effectenbezitters erin slaagt de jaarrekeningen van Ahold van 1998 en 1999 nietig te laten verklaren, want dan heeft zijn model een nieuwe mogelijkheid om aan prestige te winnen. Ahold zal dan opnieuw de winsten over die jaren moeten berekenen. Okkerse wil na invoering van de resultaten over die jaren wel een schatting geven van de bijstelling. ,,Over 1998 schat het model het te veel berekende resultaat op 248 miljoen euro, een jaar later op 285 miljoen euro''. De bijstelling van de winst zou dan op nog meer dan 500 miljoen euro uitkomen.