Integratierapport komt politiek niet uit

Het rapport-Blok is er wel, maar de kans is klein dat het politieke debat over de integratie erdoor een nieuwe wending krijgt. Te vrijblijvend, te voorzichtig, luidt het oordeel.

Commissievoorzitter Blok, Kamerlid voor de VVD, kon niet anders dan het erkennen. Niet eerder is een rapport van een parlementaire onderzoekscommissie zo slecht ontvangen als dat van `zijn' commissie gisteren.

De analyse van dertig jaar integratiebeleid werd door gunstig gezinde recensenten, in de PvdA en GroenLinks met name, wel helder genoemd. Maar de aanbevelingen van de commissie om immigranten beter in de Nederlandse samenleving te laten integreren, moeten het Kamerbreed ontgelden: te vrijblijvend, te voorzichtig, luidt het oordeel. En dat terwijl het juist de belangrijkste de opdracht was die de commissie in het beladen `Fortuynjaar' 2002 had gekregen: `bouwstenen' aandragen voor nieuw integratiebeleid.

Een dag na de presentatie dringt zich daarmee de conclusie op dat er – voor het eerst – een parlementair onderzoek ronduit is mislukt. Het rapport is er wel, maar de kans lijkt klein dat het politieke debat over de integratie erdoor een nieuwe wending krijgt. De commissie ging aan de slag op grond van een motie van van SP-leider Marijnissen uit 2002, gesteund door alle partijen behalve de LPF, dat het integratiebeleid `onvoldoende geslaagd' is. De commissie brengt daarin een nuancering aan, met haar conclusie dat de integratie van veel allochtonen ,,geheel of gedeeltelijk geslaagd'' is - zij het vaak eerder ondanks dan door het beleid van de overheid.

Maar de politieke discussie zelf is intussen juist verder de andere kant opgeschoven. De stelling dat niet alleen het integratiebeleid, maar `de' integratie zelf mislukt is, werd al vóór het rapport van de commissie betrokken door CDA, VVD, LPF en SP, samen een Kamermeerderheid. Daarmee was het lot van de onderzoekscommissie al tevoren bezegeld. Als de commissie niet zou concluderen dat de integratie mislukt was, zou zij zelf mislukken. Commissievoorzitter Blok trachtte dat lot gisteren af te wenden door een debat in algemene termen over het slagen of mislukken van `de' integratie onvruchtbaar te noemen. Hij bepleit een `precieze' politieke discussie over concrete maatregelen op beleidsterreinen als onderwijs, volkshuisvesting en inburgering. Politici zijn met dit rapport op tafel ,,verplicht aan te geven aan welke knoppen zij willen draaien en welke effecten zij daarvan verwachten'', zei hij gisteren.

Bloks pleidooi voor de beleidsmatige nuance werkte echter averechts. Bij links en rechts in de Kamer, én bij de integratiedeskundigen op opiniepagina's en tv, leefde immers juist de hoop dat het parlementaire onderzoek óók de munitie zou leveren voor fundamentele discussie over de politiek-culturele richting die het integratiebeleid zou moeten nemen. Niet voor niets kwam de brede steun in het parlement tot stand in 2002 in eerste de maanden na de ongekende verkiezingswinst van Pim Fortuyns LPF. Dat bracht de andere politieke partijen ertoe de multiculturele samenleving als een urgent en groot probleem te zien. Alle partijen wilden zich toen bezinnen op de deze politiek-culturele omslag: de achtergronden, de verklaringen en de gevolgen ervan. Alleen de LPF, zelf het product van de omslag, achtte dergelijk onderzoek op dat moment niet nodig.

In het gisteren gepresenteerde rapport heeft de commissie Blok geen eigen visie ontwikkeld op deze meer omvattende politieke vragen. Achteraf is het ook de vraag of een dergelijk antwoord wel een reëele verwachting was, juist gezien de politieke discussie die zich tussen de politieke partijen in de tussentijd ontwikkelde. In de commissie stonden vertegenwoordigers van al die partijen voor de taak gezamenlijke conclusies te trekken - en en het ligt voor de hand te veronderstellen dat de grootste gemene deler onbetekender is naarmate de politieke verschillen groter zijn.

Zo bezien is het een prestatie op zich dat deze onderzoekscommissie überhaupt een gezamenlijk rapport heeft weten te produceren. Daarvoor werd wel een prijs betaald. Zo was er het tussentijdse opstappen van commissielid Ali Lazrak (SP), die na het vooronderzoek al het vertrouwen verloor in de uitkomst. De SP, zelf `vader' van de commissie, verving hem ijlings. Ook ontstond, aangejaagd door VVD-Kamerlid Hirsi Ali, als tijdens het onderzoek een discussie over de `onpartijdigheid' van het vooronderzoek dat werd verricht door het Hilda Verwey-Jonkerinstituut onder leiding van Jan Willem Duyvendak, een onderzoeker die tevens het partijprogramma van GroenLinks had geschreven.

Vanuit de commissie-Blok werd daarbij steevast aangevoerd dat zij zelf buiten de politieke discussie stond. Zo werd het ook nooit een probleem gevonden dat commissielid Adelmund, uit de PvdA-fractie deels over haar eigen beleid als staatssecretaris van Onderwijs in het kabinet Kok II (1998-2002) moest oordelen. In het rapport concludeert de commmissie dat juist in deze periode voor het eerst duidelijke doelstellingen werden geformuleerd, ook voor het onderwijsachterstandenbeleid.

Binnen de commissie werden ondertussen wel degelijk ,,stevige discussies'' (Blok) gevoerd tussen de Kamerleden van de verschillende richtingen. Dat leidde tot één afwijkende verklaring: LPF'er Varela liet na overleg met zijn partij de aantekening opnemen dat hij voor strengere eisen aan huwelijksmigratie is.

Verder leidde het vooral tot zeer voorzichtig geformuleerde aanbevelingen. Een voorbeeld: de commissie suggereert dat huwelijksmigratie kán worden tegengegaan door hogere minimumeisen aan leeftijd en inkomen. Maar welke eisen? Het lijkt waarschijnlijk, dat dat debat in de Kamer straks niet wordt gevoerd aan de hand van de aanbevelingen van de commissie-Blok, maar van de plannen van minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie). Die worden over enkele weken verwacht.