Curtis gaf indianen een gezicht

Het huidige beeld van Noord-Amerikaanse indianen is door weinig kunstenaars zo sterk bepaald als door de fotograaf Edward S. Curtis (1868-1952). Met subsidie van de bankier J.P. Morgan zwierf Curtis van 1906 tot 1930 over het continent om ruim tachtig indiaanse stammen vast te leggen die volgens velen op het punt stonden te verdwijnen. Het leverde een archief op van 40.000 opnames, waarvan een klein deel werd afgedrukt in Curtis' levenswerk The North American Indian (1907-1930): twintig delen tekst met 1.500 platen en twintig portfolio's met nog eens 2.000 foto's. Een commercieel succes was het mammoetproject niet: er werden maar 257 exemplaren gedrukt, de totale productiekosten beliepen 1,5 miljoen dollar. Curtis stierf in 1952 berooid, in betrekkelijke vergetelheid. The New York Times herdacht hem als kenner van de indianen met een necrologie waarin zijn foto's maar zijdelings ter sprake kwamen.

De oplevende belangstelling voor indiaanse culturen en geschiedenis vanaf de jaren zestig leidde tot een herontdekking van Curtis' werk, dat inmiddels enorm populair is en zelfs een canonieke status heeft gekregen. Maar het is ook altijd omstreden gebleven, wegens Curtis' manipulaties (hij weerde alle tekens van het moderne leven) en de romantische gloed die hij over de rauwe realiteit van het indianenleven legde. Dat was bewust: Curtis bedreef geen journalistiek, hij probeerde het indiaanse leven weer te geven zoals het volgens hem voor de komst van de blanken was geweest. Juist de tragisch-heroïsche poses van Curtis' indianen, en de dromerige sfeer van soft focus en goud- en platinumdruk, geven zijn foto's hun grote zeggingskracht. Maar die sentimentele lading maakt zijn oeuvre als documentaire nog niet bankroet: antropologen en historici hebben de blijvende waarde ontdekt van Curtis' duizenden opnames van indiaanse individuen, dorpen, kleding en oude rituelen, zoals de slangendans van de Hopi in de woestijn van Arizona.

Een fraaie selectie uit Curtis' werk is te zien in het Fotomuseum Den Haag, dat de particuliere collectie van de Amerikaanse verzamelaar Christopher naar Nederland heeft gehaald. In drie zalen, schemerig verlicht met het oog op de kwetsbare kwaliteit van de afdrukken, geven ongeveer 120 foto's een indruk van Curtis' werk in Californië, het zuidwesten, de prairies, plateau en bosland, en het noordwesten met Alaska. Sommige foto's zijn beroemd, of zelfs asentimentele iconen, zoals de ruiters in de avondschemering (`een verdwijnend ras') en de doorgroefde portretten van Red Cloud (Sioux) en Chief Joseph (Nez Percés).

Minder gestileerd dan zijn `thematische' foto's, en daardoor veel menselijker, zijn Curtis' tableaus van meisjes bij een bron, of zijn opnames van dansers met dieren- of geestenmaskers. Op zulke foto's worden zijn indianen mensen, al zijn het soms op het eerste gezicht onbegrijpelijk andere mensen, in plaats van symbolen van een heroïsch verleden. Wie meer wil zien van die alledaagse werkelijkheid, kan beter collega's van Curtis raadplegen als William Henry Jackson of William S. Soule, die minder esthetisch begaafd waren maar de indianen vastlegden in prozaïsche omstandigheden, soms zelfs lachend – een schok na de ernstige iconografie van Curtis.

Aanvullend bij Curtis presenteert het Fotomuseum een kleinere expositie van de Franse fotografe Michelle Vignes, die het indiaanse politieke activisme in Amerika vanaf de jaren zeventig vastlegde. Het zijn sobere zwartwitfoto's die een indruk geven van het Sioux-reservaat Pine Ridge (waar activisten in 1973 het gehucht Wounded Knee bezetten, plaats van een beruchte slachting van indianen in 1890). Soms doen ook deze foto's weer aan Curtis denken, met serene indianenhelden, maar doorgaans zien we hier de menselijke, levende nazaten van een volk dat, ondanks alles, niet is verdwenen.

Edward Curtis, `Sacred Legacy', Michelle Vignes, `Indiens d'Amérique', Fotomuseum Den Haag. T/m 21/3, di-zo 12-20 , Inl. www.fotomuseumdenhaag.nl, 070-338 1144.

Gerectificeerd

Indianenfoto's

In de recensie Curtis gaf indianen een gezicht (20 januari, pagina 8) is de achternaam weggevallen van de Amerikaanse verzamelaar wiens collectie in het Haagse Fotomuseum te zien is. Hij heet Christopher Cardozo.