Poeh!

Japanners bakken hun vis niet en ze houden van rauwe seks. Ze buigen waar een uitgestoken hand volstaat. En ze vergeten de WK schaatsen voor ons op de juiste tijd te zetten. Kortom, aan Japanners moet je even wennen. Door het tijdsverschil moet het Nederlandse legioen in de nacht naar de sprintkanonnen kijken. Ik ga zaterdag om één uur slapen en word zondag pas om half tien wakker. Te laat. In paniek graai ik naar de afstandsbediening. Japan, waar ben je? Hebben we twee wereldkampioenen? Ik weet nog niets.

Gelukkig is daar Nagano. Timmer! Mooi, dat is één. Reporter Bert Maalderink doet het hele toernooi onzichtbaar werk achter de camera. Erben Wennemars komt aangelopen. Bert staat klaar naast de camera. Bert en Erben. Het perfecte koppel. Erben trekt de verslaggever in beeld.

`Bert, kom bij me!'

Wennemars geeft een natte zoen op Berts rozige kale hoofd. Juist, nog een wereldkampioen. Ik ga rechtop in bed zitten. Japan en Nederland liggen werelddelen, wereldzeeën uit elkaar. Daar is het middag, bij ons ochtend. Zij eten sushi, wij boerenkool. En nu, opeens, door die kus op het hoofd van de verslaggever, liggen Japan en Nederland eventjes zij aan zij.

Wennemars heeft zin in het interview. `Ik dacht dat ik als klein jongetje regionale marathons kon winnen in Deventer, nooit de WK sprint.' Zo. Lekker. Daar mag de koekstad het even mee doen. Er is even geen schaatser die in Deventer wil wonen, laat staan dat hij in spruitjespak rondjes op de baan wil draaien. Regio, dat woord is Erben vandaag te klein in het hoofd. Wennemars rules the world.

De gasten in de Nederlandse studio zitten kapot na zes uur live televisie. Het bioritme is ernstig verstoord. Dan doe je gekke dingen. Jacco Jan Leeuwangh voelt tranen opkomen. Hij, met die ferme slagen ooit zo goed op de korte afstanden, weent zijn eigen verdriet weg van een afgesloten schaatscarrière en lacht mee met het geluk van zijn oud-collega. Hij prijst de trainer van Wennemars: `Jac Orie, die kan heel goed monitoren.' Monitoren. Ik zie een stervende oude Erben met draadjes verbonden aan een computer in een Japans ziekenhuis liggen. Hij ijlt nog wat na over vijfhonderd en duizend en neemt nog een laatste hapje rijst van een lotusblad. Orie houdt zijn handje vast. En maar monitoren.

Henk Gemser weet niet dat het buiten al licht is. In een studio is het altijd nacht. Hij zit op precies dezelfde stoel als Johan Cruijff, dat kan niet anders. Met slaapkamerogen begint hij een verhaal over coachen, schaatsen en succes. Hij zoekt `contact met het ijs'.

Wennemars straalt op de hoogste plek van het podium. De glimlach wordt links en rechts onderbroken door het chagrijn van twee Canadese schaatsers. Wotherspoon wint beter dan hij verliest, zoveel is duidelijk.

`Poeh! Even nadenken', zegt Leeuwangh, als hem gevraagd wordt naar het favoriete moment van het sprinttoernooi. `De boosheid van Erben na zijn eerste vijfhonderd meter', troeft Gemser af. Leeuwangh kiest voor het overwinningsloopje van Wennemars over het middenterrein. Dat zijn twee momenten van de wereldkampioen zonder schaatsen aan zijn voeten, denk ik. Gemser en Leeuwangh moeten nu snel naar hun bed gebracht, op zoek naar het juiste dag- en nachtritme.

Nog altijd loopt Wennemars met een mouwloos wit hemdje rond. Zijn lachje – meer een giechel – is opgewonden en hoog. Het galmt lekker na in de halflege hal waar nuchtere Japanners op de tribune aan hun sierkarpers in de tuinvijver zitten te denken.

De schaatser kijkt om zich heen, hij heeft iedereen omhelsd die hij kent. Wennemars viert het feest nu even in zijn eentje. De winnaar op zoek naar publiek, het is de wereld op zijn kop. Japan is inderdaad een eindje weg.