Parabel

Ronald Plasterk had gisteren een sterke column in het tv-programma Buitenhof. Hij liet zien hoe zinloos het is het integratiedebat te laten uitmonden in een bijltjesdag, waarbij het ongelijk achteraf altijd bij de ander ligt.

Wie wist de goede aanpak toen de problemen zich aandienden, vroeg Plasterk zich af. Bolkestein? Nee, die zat nog in de handel. Scheffer? Was nog lid van de CPN. En Pim Fortuyn, zou ik eraan willen toevoegen, viel de PvdA tot in de jaren negentig nog alleen aan op haar werkgelegenheidspolitiek en dit nog ten onrechte ook.

Plasterk verwees naar een debat in de gemeenteraad van 1982 in Leiden, waarbij hijzelf aanwezig was geweest. Raadslid Vergeer van de SP had gewaarschuwd voor een dreigende segregatie in Nederland. Wie had hem gesteund? Niemand. Hij werd weggehoond, ook door de VVD. Daarom zou ook Jozias van Aartsen nu een toontje lager moeten zingen, vond Plasterk.

Plasterk hield het bij Nederland, maar je zou er ook het buitenland bij kunnen betrekken. Zag men het daar beter? In Frankrijk bijvoorbeeld, waar een veel strenger immigratiebeleid werd gevoerd, met de nadruk op de Franse nationaliteit? Gaat het met de Marokkanen in Frankrijk beter dan met hun landgenoten in Nederland? Het lijkt er niet op. Ook daar is de werkloosheid onder Marokkanen groot en de getto's van de grote Franse steden zijn er slechter aan toe dan de zwakke wijken van Rotterdam en Amsterdam.

U merkt het, de commissie-Blok krijgt er nog spijt van dat ze mij niet gehoord heeft. Wat zou ik de commissie nog meer hebben kunnen vertellen? Ik zou begonnen zijn aan mijn parabel over de ouders die problemen krijgen met een van hun kinderen, laten we hem `Henk' noemen, hun oudste zoon.

Het wil maar niet lukken met die jongen. Hij lummelt wat rond het huis en heeft geen zin om zijn talenten te ontplooien. Intelligent genoeg, maar geen doorzettingsvermogen op school. Waar moet dat heen? Hij is vijftien, zestien jaar en hij is wéér blijven zitten. De ouders aarzelen tussen een zachte en een harde aanpak.

Het komt ooit wel goed, denken ze in hun hart. Er komt een moment waarop hijzelf inziet dat het zo niet langer kan. Het kan toch niet bevredigend zijn van het ene waardeloze baantje in het andere te belanden? Bovendien zul je zien dat hij serieuzer wordt als hij een goed meisje krijgt.

Natuurlijk, ze kunnen ook de hardste maatregelen tegen hem nemen. Ze kunnen hem zijn zakgeld afpakken en hem op straat zetten als hij zijn leven niet betert. Maar stoten ze hem dan niet voorgoed van zich af? Zal er niet een eeuwige vete ontstaan die hen allemaal diep ongelukkig maakt?

Ze kiezen dus, met de beste bedoelingen, voor de zachte lijn. Tien jaar later kijken ze elkaar treurig aan. Nee, het gaat nog steeds niet goed met Henk. Hadden ze toch niet...? Maar dan belt er een lange man aan, toevallig columnist bij NRC Handelsblad. Hij zegt tegen hen: ,,Luister, maak jezelf niet te veel verwijten. De grote problemen overkomen je nu eenmaal, ze ontstaan geleidelijk. Niemand weet altijd meteen de goede oplossing.'' ,,U ook niet?'' vragen ze hem verbaasd. ,,Columnisten zijn uitzonderingen'', zeg hij dan, ,,die weten het altijd beter.''