Oudkerk moet aftreden

Als het morele gezag van een bestuurder eenmaal is aangetast, kan hij maar beter de eer aan zichzelf houden, menen Hans van den Heuvel en Leo Huberts.

Zoals veel gemeenten heeft ook de gemeente Amsterdam een gedragscode waarin één van de basiswaarden de morele kwaliteit van het gedrag is. Amsterdam heeft zelfs als enige gemeente in het land een bureau integriteit dat met allerlei maatregelen integer gedrag in de gemeentelijke organisatie bevordert en bewaakt. Ook spoort het integriteitsschendingen op.

Voor een eerste oordeelsvorming is het belangrijk te weten of iemands gedrag met het bestaande integriteitsbeleid in overeenstemming is. Bij dat beleid hoort dat integriteit niet ophoudt, als men de deur van het stadhuis achter zich gesloten heeft. Voor de Amsterdamse bestuurders geldt de algemene opdracht dat de collegeleden zich realiseren ,,dat zij als vertegenwoordiger van het publiek belang een voorbeeldfunctie hebben''. Maar waar ligt de grens? Voor corruptie, fraude en belangenverstrengeling zijn inmiddels de criteria (ook strafrechtelijk) wel zo ongeveer uitgekristalliseerd en zijn de grenzen bekend, al zijn deze praktijken daarmee nog niet de wereld uit.

Maar gedragingen in de privé-sfeer vormen een grijs gebied, want daar spelen ook andere waarden zoals eigen verantwoordelijkheid en privacy een rol.

Of gedragingen in de privé-sfeer van de bestuurder door de beugel kunnen, is in de eerste plaats afhankelijk van de functie die iemand bekleedt. De bode van de minister wordt anders beoordeeld dan de minister zelf. Duidelijk is dat voor bestuurders en politici de marges van de tolerantie van de samenleving smal zijn, al moeten de aard en de ernst van de overtreding wel degelijk meegewogen worden. Van een bestuurder binnen de overheid wordt, gezien de taak en verantwoordelijkheid waarvoor hij staat en gezien de complexiteit van de samenleving die hij moet besturen, een zuiver en ontwikkeld oordeelsvermogen verwacht.

Voor dat oordeelsvermogen zijn niet alleen kennis en inzicht vereist. Het komt er ook op aan of de bestuurder in staat is moeilijke afwegingen tot een goed einde te brengen, belangrijke van onbelangrijke zaken weet te onderscheiden, verbanden kan leggen en tegenstellingen kan overbruggen. Kortom, de wat wij zouden willen noemen fijnbesnaardheid van de bestuurder, de wijze waarop zijn persoonlijke moraliteit en zijn visie op integriteit zijn ontwikkeld, speelt een grote rol. De bestuurder moet weten en aanvoelen wat moreel door de beugel kan en wat niet, ook in het privé-leven. Wat anderen zich misschien kunnen veroorloven, mag een bestuurder op grond van zijn positie in een aantal gevallen niet, omdat dat zijn gezag in diskrediet brengt en het de waardigheid van het ambt aantast.

Daarbij telt dat in het openbaar bestuur voor gezagsdragers nu eenmaal strengere regels gelden dan voor de kruidenier op de hoek. Naast regels, geboden en verboden komt het uiteindelijk vooral aan op het persoonlijk geweten om tot zuivere handelingsoordelen te komen: wel of niet doen, wel of niet gepast. De persoonlijke onkreukbaarheid krijgt in het openbaar bestuur een steeds grotere plaats en die strekt zich uiteraard ook uit tot het privé-domein. Dat de pers daar alert op is, is haar goed recht, al kan dat soms weleens vervelende kanten hebben. Maar ze is de waakhond van de democratie.

Uit de rel rond Oudkerk valt maar één conclusie te trekken. Als het morele gezag van een bestuurder eenmaal is aangetast, is het beter de eer aan zichzelf te houden. Zo'n beslissing vereist wel het kunnen overstijgen van het eigen belang en de fijnbesnaardheid waar we het eerder over hadden.

Prof.dr. J.H.J. van den Heuvel en prof.dr. L.J.W.C. Huberts zijn werkzaam bij de Afdeling Bestuur en Organisatie van de Vrije Universiteit in Amsterdam.