Opvallend veel mensen zijn de weg kwijt in Peking

De werkster heeft een beschilderd ruitje gebroken van zijn antieke paleislantaarn, en dus vraagt de buurman of ik mee wil naar een lantaarnfabriek in het oude zuiden van Peking, waar ze het ding hopelijk kunnen repareren.

We nemen een taxi, en we treffen een chauffeur die goed de weg kent in de immense stad. ,,Ik ben geloof ik wel eens bij dat fabriekje geweest, het zat in een laag gebouwtje, dat weet ik nog wel'', zegt hij bij het instappen.

Maar als we in de buurt van het fabriekje komen, blijkt de oude buurt al bijna niet meer te bestaan. We hobbelen met de taxi over bouwafval dat op de half geasfalteerde weg ligt. Links staat een hypermodern en luxe middelbare school die nog niet in gebruik is genomen, rechts zien we nog de oude hofjeshuizen met hun houten deuren, stenen drempels en lage daken. We vragen de weg, en zo komen we terecht op een soort binnenplein, waar veel mensen lopen. Opvallend veel van hen vragen ook aan elkaar de weg: het lijkt alsof niemand zich in de half gesloopte, half nieuw gebouwde wijk nog goed kan oriënteren.

Veel mensen wijzen ons verder, want iedereen heeft wel van het fabriekje gehoord. Maar vinden doen we het niet. ,,Ze zijn verhuisd'', zegt een jonge vrouw. Dat geloven we na alle foute aanwijzingen niet zomaar meer. De taxi manoeuvreert zich met grote kundigheid steeds dieper het oude deel van de wijk binnen. De straten zijn er heel smal, en we kunnen regelmatig niet verder omdat spelende kinderen of een fruitkar ons de weg versperren. Het is hier niet gebouwd op auto's.

Een oude vrouw in rode jas gaat ons uiteindelijk door een smal steegje voor naar de plek waar de fabriek vroeger zat, en ja: die is inderdaad verhuisd. De mensen weten wel waar we nu moeten zijn, en de taxichauffeur weet met grote moeite te keren. Hij gaat niet over de grote weg naar de nieuwe fabriek, want dat is hemelsbreed iets verder dan via de steegjes. Hij gedraagt zich zo eigenlijk meer als een fietser of een voetganger dan als een automobilist.

Eigenlijk is hij daarmee ook wel verstandig. Als hij in een behoorlijk tempo over de brede nieuw wegen zou rijden, zou hij al snel ergens achterop klappen, want niet elke weggebruiker is even snel. Voor ons treffen we een driewieler-karretje midden op de weg. Vader de man fietst, moeder de vrouw zit omgekeerd in het krappe bagagebakje onverstoorbaar aan een trui te breien. Ze heeft een wollen muts op, en ze lijkt veel dikker dan ze is. Dat komt door de dunne katoenen en de dikke wollen maillot die ze onder haar lange broek heeft aangetrokken tegen de strenge kou. Het karretje steekt vreemd af tegen de nieuwe BMW's en Audi's die ook op de weg rijden, maar de man kijkt niet op of om. Hij fietst gestaag door, zoals hij dat al jaren doet.

Voor een modern kantoorgebouw staat een vrouwtje met vingerloze handschoenen in de kou te stampen achter een zwartgeblakerd olievat. Ze verkoopt gepofte zoete aardappelen, en de goed gekapte, net geklede mensen in het kantoorgebouw zijn haar voornaamste klanten. De aardappels zijn lekker goedkoop, en ze kennen de kleverige lekkernij nog uit hun kinderjaren.

Als Peking één god aanbidt, dan is het wel de god van de modernisering. Overal wordt afgebroken en opgebouwd, en hele oude wijken verdwijnen binnen een paar weken volledig van de aardbodem om plaats te maken voor wéér een kantoorgebouw, een shopping mall of een woontoren.

Het valt alleen op hoe traag het leven van veel bewoners eigenlijk beïnvloed wordt door al die hevige veranderingen. Veel van het leven dat je ziet op straat, lijkt losgeknipt van de achtergrond. De moderne omgeving vormt niet meer dan een filmdecor, dat minder echt lijkt dan de fietskarretjes en de aardappelverkoopsters op de voorgrond. Voorlopig althans: misschien zijn de zoete aardappels net als de oude wijken binnen een enkele generatie wel volledig uit het collectieve geheugen gewist.

Uiteindelijk vinden we het fabriekje. ,,We zullen op zoek gaan naar zo'n glas'', verzekeren ze buurman.