Integratie zonder beleid

Een scherp rapport van de parlementaire commissie integratiebeleid viel niet te verwachten. Het onderwerp integratie is te breed en de politieke standpunten van de deelnemende partijen lopen te sterk uiteen. Het onderzoek leunt sterk op eerder gemaakte beleidsonderzoeksrapporten, hoorzittingen in het land en weinig toegespitste verhoren van beleidsmakers uit heden en verleden. Internationale vergelijkingen ontbraken grotendeels. Over de politieke ideeën achter het beleid en de ontwikkelingen daarin wordt weinig gezegd. De leiders van de drie grote partijen, Maxime Verhagen, Wouter Bos en Jozias van Aartsen, hebben al voor het uitkomen van het rapport verder gaande standpunten over immigratie en integratie ingenomen. In het politieke debat moeten ook de conclusies worden getrokken.

Tot de jaren negentig werd over immigratie en integratie nauwelijks politiek gediscussieerd omdat politici bang waren daarmee `onderbuikgevoelens' op te roepen. Dat terwijl immigratie en integratie wegens de uiteenlopende belangen en achterbannen bij uitstek politieke onderwerpen zijn. In het bewogen jaar 2002 is de politieke discussie over immigratie en integratie pas echt losgebarsten. De commissie miskende deze realiteit door vooronderzoek te laten doen door de Groenlinkse partij-ideoloog en hoogleraar sociologie Jan-Willem Duyvendak alsof diens politieke achtergrond helemaal geen rol zou kunnen spelen in de beoordeling van de voorgelegde vragen.

Volgens de commissie is de integratie van ,,veel allochtonen'' ,,geheel of gedeeltelijk geslaagd''. Die conclusie, gebaseerd op onderzoekscijfers, staat op gespannen voet met het initiatief van de Socialistische Partij tot een parlementair onderzoek naar de mislukking van het integratiebeleid. Of het welslagen van de integratie te danken is aan overheidsbeleid laat de commissie dan ook in het midden. Het welslagen van de integratie is te danken aan de inspanningen van ,,de betreffende allochtone burgers'' en ,,de ontvangende samenleving'', maar op het beleid heeft de commissie veel aan te merken.

De integratiemachine blijkt dus ook zonder goed beleid min of meer te functioneren. Dat is een conclusie die de politiek zich ter harte moet nemen. Immigranten moeten vooral zelf hun weg in de samenleving weten te vinden. Zij zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor hun integratie. In het verleden zijn immigranten in Nederland te veel gezien als objecten van staatszorg. De commissie constateert dat het beleid in het verleden te weinig gericht was op arbeidsparticipatie. Het economische rendement van immigratie voor de samenleving is dan ook ,,op dit moment als geheel verwaarloosbaar'', aldus het rapport.

Interessant is de vaststelling dat economische achterstand een grotere belemmering vormt voor het slagen in het onderwijs dan etnische achtergrond. Er is dus niet zozeer een probleem van `zwarte' scholen, maar van scholen met arme kinderen. Dan is er dus geen reden meer om aan kinderen uit bepaalde allochtone categorieën meer geld beschikbaar te stellen dan aan arme autochtone kinderen. Ook op dit punt zou het verstandige voorstel van de commissie om discriminatie krachtiger te bestrijden ter harte moeten worden genomen. Opmerkelijk is de aanbeveling dat de randgemeenten en de regio moeten bijdragen aan het huisvesten van mensen met een laag inkomen, zodat de gevolgen van immigratie niet worden afgewenteld op de grote steden. De spreiding van allochtonen en armen over meer woonwijken zal een politieke gevoelig punt worden. Dat is desegregatie altijd.

Het belangrijkste is dat het toelatings- en integratiebeleid wordt gericht op arbeidsparticipatie. Een baan is het beste middel tot integratie. Een werkende leert hoe hij zich aan de samenleving moet aanpassen. In die zin raakt het onderwerp integratie achterhaald. De kwestie in hoeverre de verzorgingsstaat valt te handhaven bij voortgaande massale immigratie van arme burgers wordt belangrijker dan het nationale integratiebeleid.