Bobby Conn

Bobby Conn was al de raarste vogel in de intellectuele muzieksscene van Chicago, met zijn voorliefde voor glamrock, soul kitsch en `drama queen poses'. Maar wat hij op zijn nieuwste album The Homeland flikt, zal zelfs de meest ijdele avantgardist verwarren. Alsof het spookhuis der seventies wagenwijd open is gezet en alle productionele gimmicks zich gillend van de honger op de arme Bobby hebben gestort.

Natuurlijk heeft Conn zelf deze absurde komedie van lekker foute echo's bedacht. Maar hoe graag je ook zou willen zeggen: `even geniaal als Todd Rundgren, even meeslepend als Zappa' – meer dan kille bewondering voor Conns muzikale streven komt er niet los.

De composities hebben namelijk het grootste euvel denkbaar in deze hoek van de muziek: ze klinken onbedoeld als slechte grappen.

Tragisch genoeg heeft Conn daarbij gemeend van dit conceptalbum een politieke satire te moeten maken.

Helaas zijn z'n aanklachten tegen de Amerikaanse politiek obligaat, oppervlakkig en volkomen humorloos, waardoor ook die pretenties bezwijken onder `bedoelingen'.

Dat politieke satire in de avant-gardistische rock negen van de tien keer strandt op cabareteske kul is geen excuus voor Conns hoogbejaarde gemompel. Iemand met een verleden in de militante punk had dat moeten weten. The Homeland is eigenlijk dan ook alleen boeiend omdat alles op dit album op zo'n unieke wijze de mist in gaat.

Bobby Conn And The Glass Gypsies, The Homeland; Thrill Jokey