Andersdenkenden

Te midden van al het gekrakeel over de mislukking van de integratie poneerde Joris Luyendijk (NRC Handelsblad, 15 januari) een sympathieke stelling: we moeten er niet van uitgaan dat andersdenkenden (lees: moslims) hun andersdenkendheid zullen opgeven om te denken zoals wij. Die verwachting gaat uit van de eigen superioriteit, vanwege de veronderstelling dat iedereen tenslotte kiest voor het beste.

Het is sympathiek, maar ook tamelijk hopeloos. Overal waar minder- en meerderheden botsen, zie je een golfbeweging van hoogmoed en bescheidenheid. Twintig, dertig jaar geleden was de Nederlandse meerderheid bescheiden en gaf aan de minderheden de kans, – nee, het recht – om zichzelf te blijven en om anders te denken. Ze kregen recht op eigen gebedshuizen, onderwijs in eigen taal en cultuur en zendtijd op televisie. Natuurlijk zag men ze ook toen al als stakkers, maar beschaving vereist dat je de zwakken voor laat gaan. Sterken voor laten gaan is geen kwestie van beschaving, maar van lijfsbehoud.

Bij de minderheden kwam de bescheidenheid van de meerderheid over als een bevestiging van hun gelijkwaardigheid. Dat was een pijnlijk misverstand, zeker toen die gelijkwaardigheid zich niet uitte in ambitie en prestatie, maar bleef steken in hinderlijk gezeur over godsdienst en traditie. Op een gegeven moment kreeg de meerderheid er genoeg van en wees de minderheid met een klap op zijn plaats. De fase van de hoogmoed was begonnen. Deze fase bereikte een voorlopig toppunt met Pim Fortuyn, maar hogere toppen zijn nog in zicht.

En juist in deze fase heeft een parlementaire commissie naar de omgang tussen minder- en meerderheid gekeken, om vandaag conclusies te presenteren over geslaagdheid of mislukking van de `integratie'. Ja, dank je de koekoek.

Zijn er mogelijkheden om aan die golfbeweging van bescheidenheid en hoogmoed te ontsnappen en de boel op een andere manier te bezien? Ik denk het wel. Iedereen die een tijdje meeloopt in het Nederlandse minderhedendebat wat ik toch een betere term vind dan integratiedebat, multiculturele debat of diversiteitsdebat weet dat een klein deel van de deelnemers aan het debat het intellectueler benaderde, vanuit de tegenstelling tussen universalisme en relativisme. Dit filosofische gezichtspunt is voor veel stukjesschrijvers en televisiemakers wat ingewikkeld. Laatst had ik een voorgesprek met een redacteur van een belangrijke actualiteitenrubriek. Ik moest uitleggen wat mijn bijdrage aan het integratiedebat zou kunnen zijn. Ik probeerde het, ik begon over universalisme en relativisme, waarop de redacteur snibbig zei: ,,Dat is te ingewikkeld voor de kijkers.'' En weer liep ik een gouden kans mis om op televisie te komen.

Laat ik het toch eens proberen, je weet nooit of de kijkers ook eens lezen. Lang geleden waren er witte mannen die naar de zwartjes en bruintjes gingen, ze ,,ontdekten'', zoals het in de boeken staat, en ze tot barbaren verklaarden, omdat de zwartjes en bruintjes anders naar het leven keken en anders dachten. Omdat ze barbaren waren, mochten de witte mannen ze onderwerpen en opvoeden. Hoezo mochten, ze moesten, dat was de white man's burden.

Later stelden sommigen dat deze benadering nogal arrogant was. Waarom was de manier van denken van de zwarten en bruinen inferieur? Wat wisten we eigenlijk van hun manier van denken en konden we dat eigenlijk wel te weten komen? Deze zogeheten relativisten wezen er ook fijntjes op dat die witte mannen hun superieure en zogenaamde universele denkwijze alleen gebruikten om anderen te onderdrukken en uit te buiten. Die white man's burden mocht dan een last zijn, hij werd wel gedragen door zwarte knechtjes.

Na driehonderd jaar vonden de blanke mannen het welletjes en vertrokken, de zwarten met hun onnavolgbare denkwijzen achterlatend. Einde verhaal, zou je zeggen, maar nee: die zwarten en bruinen besloten ineens naar de wereld van de witte mannen te komen. Nu niet als kolonisators of overheersers, maar als werkers en gelukzoekers. Ze kregen ook een plaats in de witte wereld, meestal netjes onderin, als de nieuwe onderklasse, tweederangsburgers, allochtonen, onaangepasten, niet-geïntegreerden of zoals Luyendijk het zegt: nog-niet-geïntegreerden. Witte mannen kunnen zo optimistisch zijn.

Die andersdenkende zwartjes en bruintjes kregen, althans in Nederland, eerst het recht om hun andersdenkendheid te behouden en gezellige feestjes te bouwen. Het zou na enkele generaties wel goed komen met die minderheden, dacht de meerderheid, en volgens Luyendijk getuigt dat standpunt van superioriteitsgevoel. Dat zal wel zo zijn, maar als je de inferieuren de kans geeft om ook superieur te worden net als jij, is dat toch juist vriendelijk?

Dan komt in het stuk van Luyendijk de clou: het moet niet gaan om superieur of inferieur, maar om `anders'. Luyendijk, in zijn conclusie: Misschien zijn er meer manieren van modern zijn dan alleen de westerse.

Maar ook al leiden meer wegen naar Rome, als je ze allemaal tegelijk bewandelt kom je nergens. Luyendijk vertelt dat hij zelf ooit een poging deed zich aan te passen aan moslims in Egypte, een poging die tragisch mislukte, omdat hij en zij halsstarrig `anders' bleven. Hij verliet daarop het land.

Ergo: minderheden die anders willen blijven denken, moeten ook maar terug naar hun land. Maar ten eerste denk ik niet dat de minderheden dat willen en ten tweede vind ik het ook niet aardig om ze zoiets voor te stellen. Tegelijkertijd zie ik niet hoe je een samenleving vormt zonder dat de mensen die er deel van uitmaken, het op een paar essentiële punten met elkaar eens zijn. Kerk en staat, man en vrouw, schuld en schaamte, recht en eer, individu en groep, ik noem er eens een paar. Het wordt een bende als de ene ervoor kiest om rechts te rijden en de andere linksrijden beter vindt.

Moeten we dan onderhandelen, elkaar een beetje tegemoet komen met onze denkwijzen? Zo van: als jullie je vrouwen niet meer slaan, mogen jullie er meerdere trouwen? Dat lijkt natuurlijk nergens op.

Er zullen wel meer manieren bestaan om modern te zijn, maar niet in een en dezelfde samenleving. Als je voor een samenleving kiest, accepteer je ook maar de regels van die samenleving, door wie ze ook zijn bedacht.

Dat klinkt niet geweldig sympathiek, maar het voorkomt tenminste verkeerschaos.