Zelfreflectie

In `De Integratiemachine' (Z, 10 januari) beschrijft Dick van Eijk op boeiende en inzichtelijke wijze de integratie van Indische Nederlanders, Molukkers, Zuid-Europanen, Surinamers en Antillianen. Hij constateert dat, met uitzondering van nieuwe Antillianen, hun integratie voorspoedig verloopt, al zijn er wel serieuze problemen geweest. Volgens mij gaat hij daarna in de fout, als hij suggereert dat het met de integratie van met name Turken en Marokkanen uiteindelijk net zo zal gaan.

Er is een aantal grote verschillen met de eerder genoemde groepen immigranten. Zelf geeft Van Eijk al twee integratiebelemmerende factoren aan: het `op een kluitje wonen', waardoor er weinig tot geen contacten zijn met autochtone groepen, en de voortdurende huwelijksmigratie. Daarnaast zijn nog andere fundamentele verschillen aan te wijzen: velen onder de eerdere groepen waren al in redelijke mate vertrouwd met de Nederlandse taal en cultuur, vanwege het onderwijs dat ze in de herkomstlanden hadden genoten. Daarnaast was vaak al sprake van enige loyaliteit aan Nederland. De Zuid-Europeanen (Spanjaarden, Italianen) deelden al een Europese cultuur, met alle regionale verschillen toch een factor van belang. Bovendien zijn deze eerdere groepen immigranten al snel hun partner binnen Nederland gaan zoeken, waarbij assimilatie met autochtonen niet werd uitgesloten, zodat de integratie van hun kinderen weer een slag sneller kon verlopen. Daarnaast speelt de omvang van de immigratie een rol: de eerdere groepen waren (behalve de Indische Nederlanders) kleiner in omvang en na een massale instroom in een korte periode droogde de verdere immigratie veelal grotendeels op, terwijl die, door de al genoemde gezinsvormende immigratie, bij Turken en Marokkanen onverkort doorgaat. Weer een andere factor geeft extra te denken: in geen andere immigrantengroep is bij benadering inmiddels zoveel door de overheid geïnvesteerd als in de Turkse en Marokkaanse landgenoten. Daarnaast zijn veel vooral Marokkaanse immigranten ook nog eens analfabeet, vooral de vrouwen onder hen. Ten slotte is er de islamitische factor die mogelijk het verschil maakt.

Wat ik beroepsmatig waarneem van de praktijk van de islam bij de groepen mensen waarmee ik te maken heb, zowel in Nederland als in sommige Afrikaanse landen die ik regelmatig bezoek (o.a. Somalië), is dat de regels daarvan absoluut zijn en dat persoonlijke verantwoordelijkheid (en kritische zelfreflectie) nauwelijks bestaat, behalve waar het de religieuze plichten betreft. Voor de rest is alles in de handen van Allah en als het dan tegenzit, ligt dat altijd aan iets anders. Niettegenstaande de succesverhalen die gelukkig ook op te tekenen zijn, feit blijft dat bij velen binnen die groepen de islamitische regels op dusdanige wijze worden geïnterpreteerd dat de vrouw een zeer ondergeschikte positie inneemt, wat zich bij de niet of laaggeschoolden onder hen vaak uit in een volledig gebrek aan zelfvertrouwen en een negatief zelfbeeld, hetgeen evident niet erg wenselijk is bij de opvoeding van de volgende generatie. Al met al vrees ik dat Van Eijk te optimistisch gestemd is en dat Nederland nog een hele lange en uiterst moeizame weg heeft af te leggen.