Schuld

De bokser Regilio Tuur werd geportretteerd door filmmaker Michiel van Erp. In zijn programma Op avontuur zag je een elegante en charmante, aandoenlijke en overgevoelige tijdbom. Iedereen in zijn omgeving deed zijn best hem tijdig te demonteren, zodat hij zichzelf door een nieuwe uitbarsting niet verder in de nesten zou werken. Tuur zelf ook; ontroerend waren zijn manmoedige mantra's om niet in oude fouten te vervallen. De Rotterdamse ex-wereldkampioen heeft vastgezeten omdat hij zijn ex-vrouw ernstig heeft toegetakeld. Hijzelf wil die periode achter zich laten, zijn omgeving blijft hem eraan herinneren. Eens behoorde Tuur tot de Rotterdamse society nu ziet hij de ene na de andere deur voor zich dichtgaan vanwege wat een om hulp gevraagde publiciteitsagent ,,een imagoprobleem'' noemde. Zijn bokscarrière is voorbij, zijn kind mag hij niet zien. Tegen Van Erp liet hij op een gegeven moment doorschemeren dat hij vanwege zijn kind alle vernederingen maar bleef slikken, maar wanneer dat helemaal niets opleverde, hij niet voor zichzelf kon instaan.

Het was moeilijk om geen zwak te krijgen voor Tuur in zijn onmogelijke strijd tegen zichzelf. Je zag hem oprecht worstelen en lijden. Maar gaandeweg het programma werd iets anders duidelijk: Tuur voelde zich beroerd, maar hij voelde zich niet schuldig. Hij gaf grif toe dat hij ,,fouten'' had gemaakt, maar toen Van Erp daarop bleef doorvragen, werd hij heftig geïrriteerd. Een redactrice van het pulpprogramma Niets dan de waarheid kreeg de wind van voren toen ze de presentator aanspoorde wat kritischer vragen te stellen. Tuur omringde zich steeds weer met cameraploegen om zich via de media te rehabiliteren, maar voor zijn gevoel draaide het steeds weer uit op een tribunaal die mensen hadden een ,,negatieve'' houding. Als Tuur tegenwoordig iets wilde, was het positief in het leven staan.

Misschien moet ik het anders zeggen: je zag aan alles dat Tuur zich wel degelijk schuldig voelde over wat hij had gedaan, maar dat het voor hemzelf onmogelijk was zijn schuld onder ogen te zien. In zijn jeugd had hij zich geharnast tegen de buitenwereld. Het machismo dat de kern van zijn wereld vormt het mooiste in de documentaire was een bezoek aan zijn Rotterdamse rastakapper, die in lange rappende monologen de liefde bezong, maar er tegelijk in slaagde het woord `love' als een akelige bedreiging te laten klinken legt iedere poging om zich in een ander te verplaatsen uit als persoonlijke zwakte. En zwakheid, dat was de doodzonde. Ook in zijn verdriet was de bokser verbluffend egocentrisch. Tegelijk zag je dat alle pogingen van anderen om hem aan te spreken op zijn `fouten', zinloos waren ze vergrootten de `negativiteit' alleen maar, waardoor een nieuwe uitbarsting dichterbij kwam.

Tragisch onbegrip: een dader die niet in staat is zich in de buitenwereld te verplaatsten, een buitenwereld die steeds dwingender op de openbare knieval van een schuldbekentenis aandringt. In de veel ernstiger zaak van Murat D., de Haagse jongen van Turkse afkomst die de conrector van zijn school door zijn hoofd schoot, zie je eenzelfde vlucht in dat autistische eergevoel, dat ieder besef van schuld bij voorbaat onmogelijk maakt. De voogd van de jongen en sommige medeleerlingen benadrukken nu steeds weer hoe Murat zich door de leraar in zijn eer aangetast voelde, en dat ligt, aldus de voogd, ,,gevoelig bij Turken''. De schuld wordt buiten de jongen geplaatst. De verontwaardiging en woede die zulke uitspraken bij buitenstaanders oproepen, zijn olie op het vuur: ze versterken het gevoel van een bedreigende buitenwereld, die voortdurend verhaal komt halen zodat de aangesproken groep zich alleen nog maar verder terugtrekt in haar defensieve waan van eigenheid en trots.

Hoewel je het in zijn meest extreme vorm bij jongeren en minderheden aantreft, is het een algemeen probleem: Nederland heeft moeite met schuld. Waar het ook om gaat, vrijwel nooit zie je dat schuldbesef aanleiding is tot zelfonderzoek en steeds vaker zijn het anderen die een schuldige tot een openbare bekentenis proberen te dwingen. Afgelopen week publiceerde HP/De Tijd een aanval op de voormalige partijleider van GroenLinks, Paul Rosenmöller, die in zijn politieke autobiografie zijn extreem-linkse sympathieën uit zijn jeugd kortweg zou hebben afgedaan als een ,,jeugdzonde''. In de jaren zestig waren het linkse mensen die zichzelf moreel op een voetstuk plaatsten door anderen lukraak tot `fout rechts' of `fascist' te verklaren; tegenwoordig wentelt nieuw rechts zich in morele zelfgenoegzaamheid door steeds opnieuw een nostalgische bijltjesdag te organiseren tegen voormalige sympathisanten met linkse totalitaire regimes en overtuigde multiculti's. Het is wat de in Frankrijk wonende Bulgaarse filosoof Tzvetan Todorov ,,morele correctheid'' noemt, de neiging om jezelf zuiver te voelen door anderen hun voorbije morele gebreken in te wrijven. Schuld maakt zwak, beschuldigen maakt sterk.

Aan de andere kant: van iemand die zijn voormalige activisme en rechtvaardiging van ideologisch bevlogen massamoordenaars afdoet als een jeugdzonde, krijg je niet de indruk dat hij zich er vreselijk schuldig over heeft gevoeld. Het zal wel te hoog gegrepen zijn, maar wat zou het interessant zijn wanneer een man als Rosenmöller nu eens de discussie met zichzelf zou aangaan, in plaats van ongevaarlijke bekende Nederlanders op de televisie quasi-persoonlijk te gaan ondervragen over hun bevlogenheid en engagement. Want misselijkmakend is het wel, die neiging van voormalig links bevlogenen om de morele dubieuze gevolgen van hun eigen goedbedoelde engagement te verdoezelen door te dwepen met engagement pur sang in deze cynische wereld is alleen al het hebben van idealen fantastisch, het geeft eigenlijk niet wat voor idealen.

Het is het ergste sentiment.

Eens droeg de godsdienst in Nederland iedereen op zich permanent schuldig te voelen. Nu wordt schuldgevoel gezien als een morele zwakte, die anderen de kans geeft je te betuttelen of te vernederen. Je gevoel voor eigenwaarde verdraagt geen zelfonderzoek, maar moedigt je juist aan anderen in staat van beschuldiging te stellen.

Aanstaande maandag, wanneer ongetwijfeld vastgesteld zal worden dat het integratiebeleid (en dus de integratie) deels is mislukt, maar gelukkig niet helemaal, zullen we het weer krijgen: wie heeft het gedaan? Waar het om gaat, iets te leren van de onmiskenbare fouten in het verleden, zal aan het zicht onttrokken worden door een woud van wijzende vingers.