Profileren door provoceren

Komende week keert de Tweede Kamer terug van reces. Nooit eerder telde die Kamer zoveel nieuwelingen. Dat leidde het afgelopen jaar tot een levendiger debat, maar er waren meer foutjes, missers en uitglijders. `Klasjes' moeten de oplossing bieden, maar de fracties hebben niet alle Kamerleden aan een lijntje. `Soms gaan ze te hard, soms gaat het verkeerd.'

Het waren allemaal ervaren Kamerleden die het woord voerden. En op één punt waren ze het heel erg met elkaar eens tijdens de begrotingsbehandeling van Ontwikkelingssamenwerking, vlak voor het kerstreces. Wat nieuwkomer Ayaan Hirsi Ali nu weer deed, kon echt niet.

Wat deed ze?

Hirsi Ali vroeg zich namens haar VVD-fractie af: ,,Is het terecht dat het willen bereiken van duurzame armoedevermindering de hoofddoelstelling is? Het antwoord is `nee'. Vormt de begroting een goede basis voor een aantoonbare, resultaatgerichte verantwoording van beleid? Het antwoord is weer `nee'.'' Kort samengevat: het moet volgens de VVD allemaal anders. De ontwikkelingssamenwerking van de afgelopen dertig jaar had arme landen niet geleerd op eigen benen te staan, zei Hirsi Ali. En het ministerie had onvoldoende aangetoond dat al het geld dat werd uitgegeven goed besteed was. Verantwoordelijk minister Agnes van Ardenne (CDA) had geen betrouwbare cijfers, gaf zijzelf toe. Hirsi Ali vroeg daarom om ,,een herziening van het beleid''.

Daarna liet ze weten dat ze geen motie van wantrouwen tegen Van Ardenne in zou dienen, dat ze haar begroting gewoon zou steunen.

Zo doen we dat niet, reageerden de ervaren woordvoerders van oppositie én coalitiepartijen unaniem.

,,Dan moet u ook een vent zijn. Het is namelijk van tweeën één: als u grote woorden gebruikt door te zeggen dat de cijfers niet kloppen, moet u of tegen de begroting stemmen of er amendementen op indienen. U mag daarvoor dan niet meer weglopen. Dat is anders te goedkoop.'' (Camiel Eurlings, CDA)

,,Ik begrijp deze nieuwe vorm van dualisme niet.'' (Boris Dittrich, D66)

,,Dat is toch van een politieke gemakzucht en opportunisme die geen grenzen kennen?'' (Bert Koenders, PvdA)

,,Een lafhartige houding.'' (Harry van Bommel, SP)

,,Bent u nu dan symboolpolitiek aan het bedrijven? Doet u dit alleen om te scoren in de kranten?'' (Farah Karimi, GroenLinks)

Zelfs waarnemend Kamervoorzitter Gerda Verburg (CDA) kreeg het even te kwaad toen Hirsi Ali in haar ogen te lang wachtte met een verklaring voor haar afwijkende handelwijze: zulke zware kritiek leveren op het beleid van een minister en tóch voor de begroting stemmen. ,,Mevrouw Hirsi Ali'', zei ze, ,,U hoeft geen antwoord te geven op de vraag van mevrouw Karimi. Dat is uw goed recht. Het is echter normaal in de Kamer dat iemand antwoord geeft als er een vraag wordt gesteld.''

In een ander debat, half november, kreeg staatssecretaris Joop Wijn (Financiën, CDA) het even te kwaad, óók door toedoen van een onervaren Kamerlid. Nicolien van Vroonhoven-Kok (CDA) betoogde bij de behandeling van het belastingplan dat er `iets' gedaan moest worden aan de inkomens van chronisch zieken en gehandicapten. Maar ze kreeg het niet voor elkaar daartoe een eigen initiatief te formuleren. Ze vond het te ingewikkeld, kon de gevolgen van een aanpassing van de fiscale regels niet overzien, zei ze. Uiteindelijk moest het kabinet, dat wil zeggen staatssecretaris en partijgenoot Wijn, eraan te pas komen om Van Vroonhoven uit de puree te halen. Toen Van Vroonhoven dat iets te triomfantelijk incasseerde in het debat en twee minuten later op hoge toon van Wijn eiste dat alles dan wel voor 1 januari geregeld moest zijn, kon de staatssecretaris zich niet helemaal beheersen. Cynisch merkte hij op het ,,heel dapper te vinden van mevrouw Van Vroonhoven'' dat zij openlijk erkende het ,,zelfs met haar ervaring'' (Van Vroonhoven is fiscaliste) niet alleen op te kunnen lossen.

Glas bier

Nicolien van Vroonhoven is onbekend, Ayaan Hirsi Ali bekend. Wat ze gemeen hebben: ze zijn nieuw in de Kamer. En ze zijn niet de enigen. Bij de laatste twee verkiezingen, in mei 2002 en een jaar geleden, in januari vorig jaar, kwamen 82 politici voor het eerst in de Tweede Kamer. Een record. De grote electorale verschuivingen van de afgelopen jaren zorgden voor een generatiewisseling. Sommige fracties bestaan voor de helft uit nieuwelingen. Of meer. Het meest onervaren is de afvaardiging van de CDA, 33 van de 44 Kamerleden zijn `nieuw' – 75 procent. Binnenkort zijn dat er zelfs 34 van de 44, als Camiel Eurlings (sinds 1998 in de Kamer) naar het Europees Parlement vertrekt.

Welke gevolgen heeft de instroom van die nieuwkomers voor de parlementaire bedrijfsvoering? De reden dat ze met zovelen zijn is immers de revolte van Fortuyn. Ze kwamen na de de belofte van nieuwe politiek. Maken ze die belofte waar? Doen ze het anders dan hun voorgangers? En, wat is hun nieuwe politiek dan precies? Helemaal aan hun lot overgelaten zijn ze niet, de nieuwe politici. Ze krijgen een paar cursussen van de Tweede Kamer over procedures, debatmores en bijvoorbeeld het opstellen van schriftelijke of mondelinge vragen, en het ministerie van Financiën leert ze begrotingen te lezen. Het presidium (dagelijks bestuur) van de Tweede Kamer biedt hun een `basiscursus Kamerlid'. Kamervoorzitter Weisglas daar eerder over: ,,We beginnen met heel basale dingen, zoals een rondleiding door het gebouw.''

Daarnaast verzorgen sommige fracties hun eigen parlementaire inburgeringscursus. Wim van de Camp is daarvoor verantwoordelijk bij het CDA. Op zijn werkkamer in de statige CDA-vleugel vertelt hij onder het genot van een glas bier hoe het zijn `jonkies' vergaat. ,,Begin december'', zegt hij, ,,stond er een top-tien in dagblad Trouw met daarin een lijstje met opvallende Kamerleden. Daar stonden twee CDA'ers bij, Ger Koopmans en Liesbeth Spies. En voor het overige hadden wij volgens Trouw `een vlak profiel'. Dat vond ik eigenlijk wel prettig, want een hoog profiel gaat met hoogte-, maar ook dieptepunten gepaard.''

Van de Camp heeft de afgelopen maanden vooral besteed aan het aanleren van de procedurele kant van het Kamerlidmaatschap. ,,Je moet eerst weten wat de mogelijkheden zijn in de Kamer en in je fractie, daarna kun je je gaan verdiepen in de politieke verhoudingen'', zegt hij. ,,Helemaal foutloos gaat het niet, maar ik ben redelijk content.''

Het politieke standpunt van het Kamerlid mag niet haaks op het regeringsbeleid staan, leren de nieuwe CDA'ers – alle beloften over dualisme ten spijt. Al te kritische vragen aan `eigen' bewindspersonen worden door de fractietop van het CDA tegengehouden dan wel herschreven en in het politieke debat in de Kamer is enige terughoudendheid op zijn plaats. De fractievoorlichter, Stefan Schrover, beoordeelt alle Kamervragen van het CDA voordat ze `naar buiten' gaan. ,,Sommigen van ons'', zegt een ervaren CDA'er, ,,hebben het idee dat we in de oppositie zitten. Die missen de politieke antennes.''

Bij de PvdA leidt Ella Kalsbeek een klasje voor nieuwkomers. Ze somt op wat volgens haar de beginselen van efficiënt Kamerlidmaatschap zijn: ,,Weten wanneer je een vraag moet stellen, hoe je dat doet, wanneer je een motie indient, hoe je omgaat met de media en met hypejes, dat soort dingen.'' De eerste weken ging het ook bij de PvdA-nieuwelingen vooral over procedurele zaken, later kwamen soms inhoudelijke kwesties aan de orde. Hoe dacht de partij hier in het verleden over, werd vaak gevraagd. Met dat soort vragen is Kalsbeek blij, zegt ze. ,,Moeilijker zijn de mensen die niets vragen en maar doen.''

Dood paard

Regels. Procedures. Gebruiken. `Oude' Kamerleden lijken er erg aan te hechten. Maar voldoen de oude spelregels van het parlement nog wel? Voldoet de oude definitie van `een goed Kamerlid' nog wel? Een Kamerlid `oude stijl' moest vooral de procedures goed kennen, zijn portefeuille inhoudelijk beheersen en bijhouden en kunnen debatteren in de Kamer. De laatste twee verkiezingen hebben laten zien dat de waan van de dag meer dan ooit regeert: een politieke carrièrre is in no time gemaakt. Of gebroken. Nieuwelingen moeten zich bewijzen. En snel.

Die profileringsdrang, of beter noodzaak, wordt nog groter als er straks een soort districtenstelsel komt, waarvoor minister Thom de Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing, D66) inmiddels de contouren heeft gepresenteerd. Kamerleden zullen dan meer dan nu zelf op zoek moeten gaan naar hun kiezers, en de regio zal belangrijker worden.

Maar hoe profileer je je als politicus?

Alle partijen, van links tot rechts, beloofden na de verkiezingen meer en vaker dan ooit de kiezers op te zoeken. De straat op, de wijken in en het land door! Bij de beoordelingsgesprekken die PvdA-fractieleider Bos dezer weken houdt met fractieleden vraagt hij daar expliciet naar: hoe vaak was je in de regio, en hoe onderhoud je contact met de achterban?

Je kunt je profileren zoals Henk Jan Ormel doet. Hij is dierenarts in Hengelo en één van de nieuwe Kamerleden van het CDA. Zijn laatste daad voor het kerstreces was het stellen van vragen aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken over de mishandeling en dood van een paard, een paar dagen eerder in Tilburg. Ormel stelt vaak vragen. Sinds hij in mei 2002 in de Kamer kwam, diende hij 58 schriftelijke vragen in, en dat is veel voor een lid van een coalitiepartij. ,,Henk Jan gaat Agnes Kant van de SP achterna'', zegt een fractiemedewerker van het CDA. Kant is kampioen vragenstellen. Fractievoorlichter Stefan Schrover: ,,Henk Jan zit goed op dierenwelzijn, hij stelde al vragen over de genetisch gemanipuleerde glowfish (gloeiende vissen), nu weer over paarden. Hij weet er wel publiciteit mee te trekken, dus dat is prima.''

Een succesformule? Het is de vraag. Erg bekend is Henk Jan Ormel nog niet buiten Den Haag.

Dan lijkt zijn partijgenoot Rendert Algra het slimmer aan te pakken. Vanaf dag één is hij in de Kamer bezig een eigen koers te varen. Hij durfde het als enige in de CDA-fractie aan vóór een pardonregeling voor uitgeprocedeerde en afgewezen asielzoekers te stemmen. De `dissident uit het noorden' wordt hij daarom genoemd. Zijn eerste voorstel in de CDA-fractievergadering bleek te zijn geweest van het Fries een officiële fractie-voertaal te maken. En op zijn persoonlijke website (www.rendertalgra.nl) vertelde hij – in het Fries – openhartig over de fractiediscussies over gevoelige onderwerpen, bijvoorbeeld tijdens de kabinetsformatie met de PvdA.

Landelijk bekend is ook Algra (nog) niet. Maar de Leeuwarder Courant besteedde natuurlijk aandacht aan zijn pleidooi voor een Friese spellingscontrole op de computers van de Tweede Kamer.

Algra heeft met zijn dissidente gedrag uiteindelijk een zware portefeuille afgedwongen: het veiligheidsbeleid. Sindsdien heeft hij zich overigens niet meer van zijn dissidente kant laten zien. Zo opereerde ook Ayaan Hirsi Ali, en ze sleepte de integratieportefeuille binnen, maar zij gaat door met het uitvoeren van haar eigen agenda. Zijn Algra en Hirsi uitzonderingen? Zonderlingen misschien, zoals het ééndags-Kamerlid Jacques de Milliano, dat eind jaren negentig even in de CDA-fractie verbleef maar wegens een meningsverschil over het fractiestandpunt over asielzoekers opstapte. Of zijn zij parlementariërs nieuwe stijl? Wat is belangrijker: scoren op het Binnenhof, bij collega's? Of scoren in de media? En gaat dat nog wel samen?

De mores van het Haagse handwerk corresponderen immers niet altijd met de belevingswereld van de gewone burger. Het is heel goed mogelijk dat de kiezer die het tv-verslag zag van Hirsi Ali's optreden bij de begrotingsbehandeling van Ontwikkelingssamenwerking niet denkt: wat een onbenul, ze kent de regels niet. Hij kan ook denken: goed zo, die durft tenminste aan de orde te stellen dat ons belastinggeld niet goed terechtkomt.

Ander voorbeeld is misschien premier Balkenende. Hij werd weggehoond door iedereen die zich intellectueel noemt met zijn pleidooi voor terughoudendheid in satires over het koningshuis. Maar wat zou zijn koningsgezinde achterban denken? Zaterdag 27 december schreef de Rotterdamse lezer Ronald Buijt in deze krant: ,,Het is nog maar kort geleden dat de media niet wisten wat in de Nederlandse samenleving aan de hand was. Als je de media nu mag geloven, is Balkenende een roepende in de woestijn en staat hij bijna alleen in zijn kritiek op de smakeloze satire. We moeten niet verbaasd zijn als ook in dezen het volk een heel andere mening toegaan is.''

En vraag een willekeurige voorbijganger eens de naam te noemen van een PvdA'er die de afgelopen maanden een constructieve bijdrage heeft geleverd aan het integratiedebat. Waarschijnlijker dat eerder de naam valt van Dominic Schrijer, de Rotterdamse deelgemeentebestuurder die het waagde de woorden `allochtoon' en `spreiding' in een zin te gebruiken, dan die van Jeroen Dijsselbloem, het nieuwe PvdA-Kamerlid met grotestedenbeleid en integratie in zijn portefeuille.

`Controversieel zijn' loont?

PvdA'er Jeroen Dijsselbloem dacht van wel. Hij zette laatst zijn handtekening onder een door Hirsi Ali ingediende motie om de stichting van islamitische scholen te verbieden. De PvdA'er dacht daarmee het debat over bijzonder onderwijs ook naar zich toe te kunnen trekken. Dijsselbloem had echter niet van tevoren overlegd met de fractietop over de gevolgen van zijn handtekening. Na ampel beraad (en druk van fractievoorzitter Wouter Bos en oud-gediende Klaas de Vries) moest de jonge PvdA'er zijn handtekening uiteindelijk onder de motie-Hirsi Ali vandaan halen. Met de vrijheid van onderwijs moest maar geen politiek bedreven worden, zo besloot de top.

Toch zijn dit soort `missers' voor de PvdA iets anders dan voor het CDA. Voor een oppositiepartij als de PvdA is het niet zo `erg' als er af en toe eens een Kamerlid uit de bocht vliegt, zegt Klaas de Vries desgevraagd. ,,Echt verkeerd kun je het niet doen. Hooguit iets te enthousiast, en dan wordt je weer teruggefloten'', zegt een van de nieuwelingen in de fractie.

Het vernieuwde CDA dat deel uitmaakt van de coalitie, hecht nog erg aan de oude fractiediscipline. Dissident Rendert Algra bijvoorbeeld werd een tijdje onder curatele geplaatst: fractieleider Maxime Verhagen deelde zijn eigen woordvoerder Stefan Schrover tijdens fractievergaderingen een vast plaatsje toe naast Algra. Om Algra van tijd tot tijd te wijzen op de vertrouwelijkheid die bewaard diende te worden.

Wat is een goed Kamerlid in het post-Fortuyn-tijdperk?

Ook de leiders van de drie grote partijen in de Tweede Kamer vragen zich dat af. CDA, PvdA en VVD lieten door relatieve buitenstaanders hun fractie-optreden doorlichten. Bij de PvdA deed partij-ideoloog Eberhard van der Laan dat in november nog, nadat de Nijmeegse wethouder Paul Depla zich eerder al in de beslotenheid van de fractie uitliet over het beeld van diezelfde PvdA-fractie. Het CDA schakelt na het kerstreces oud-Kamerlid Hans Hillen in om met name de nieuwe Kamerleden wat extra debattechnieken bij te brengen.

Nog verder gaat de VVD-fractie. Die heeft organisatie-adviseur Theo Dragt op commerciële basis ingehuurd om een functioneringsrapport over de fractie te schrijven. Dragt bezocht fractievergaderingen, sprak met een groot aantal fractieleden en bracht afgelopen oktober verslag uit. Dragt en zijn `task force' van zes medewerkers constateren ,,lacunes'' in de vernieuwde fractie en een ,,gebrek aan collectief geheugen''. Daarom moet er een grotere rol komen voor ,,prominente VVD-Kamerleden met meerjarige Kamerervaring''. Dragt bepleit vooral structuurverbeteringen. De VVD zou volgens hem bedrijfsmatiger moeten gaan werken, met heldere structuren, zes inhoudelijke blokken waar de Kamerleden in passen en een professionelere rol van fractievoorzitter en vice-fractievoorzitter in het beoordelen van de Kamerleden. Ook de relatie tussen fractie en samenleving moet anders: ,,Meeting the press dient terstond te worden uitgebreid met Meeting the people.'' En: ,,De `knijpbaarheidsfactor' van de VVD-fractie dient in het gehele land vergroot te worden.''

Afwijkend standpunt

VVD-fractievoorzitter Jozias van Aartsen wil graag dat zijn Tweede-Kamerleden zich als individuen profileren. Mede daarom is hij een warm voorstander van het districtenstelsel: ,,Zo'n nieuw stelsel geeft de Kamerleden meer dan nu een eigen mandaat''. Dat betekent ook, zegt Van Aartsen, ,, dat ze meer vrijheid krijgen, en ik vind dat goed voor het politieke debat''.

Zijn fractiegenoten, onder wie Hirsi Ali, maar ook Geert Wilders, Gertjan Oplaat en Hans van Baalen, benutten nu al de vrijheid door met enige regelmaat een (licht) afwijkend standpunt in te nemen. ,,Dat past in een traditie bij de VVD'', zegt Van Aartsen, verwijzend naar zijn voorgangers Wiegel en Bolkestein. ,,Er zitten 28 individuen in mijn fractie, mensen met ideeën, opinies. Die mogen ze uiten.''

Is er sprake van een nieuw soort Kamerlid?

Van Aartsen relativeert: ,,Bij de VVD hebben we altijd al mensen gehad die ook buiten het Haagse goed scoorden, zoals bijvoorbeeld Erica Terpstra.''

Voor de revolte van Fortuyn heeft nog nooit een coalitiegenoot van het CDA de vrijheid van onderwijs ter discussie gesteld. Hoever mogen uw fractieleden gaan?

De fractievoorzitter: ,,Er zijn wel grenzen aan de ruimte die fractieleden mogen nemen.''

Welke?

Van Aartsen: ,,De afspraken uit het zogenoemde Hoofdlijnenakkoord [het regeerakkoord, red.] moeten in elk geval blijven staan. Daar hebben we ook voor getekend. Maar dat laat nog steeds veel ruimte voor alledrie de coalitiefracties om zichzelf te profileren, juist omdat het op hoofdlijnen is.

,,Het is even wennen, niet zozeer voor de fractie als wel voor de media en wellicht ook de overige fracties. We hebben dat gezien bij het referendum over de Europese grondwet. Daar was een aantal Kamerleden tegen, ikzelf was voor. Na een uitgebreide discussie in de fractie hebben we er uiteindelijk over gestemd. De voorstemmers kregen de meerderheid, en dat was vanaf dat moment het fractiestandpunt.''

Wat dat betreft is er wel het een en ander veranderd sinds de verkiezingen van 15 mei 2002, vindt ook Van Aartsen: ,,Ik zou niet in de sfeer van Paars, met zijn Torentjesoverleg en zijn dichtgetimmerde afspraken, fractievoorzitter willen zijn.''