Prioriteiten stellen na moord op leraar

De aanpak van geweld op school moet ,,zo dicht mogelijk in de omgeving'' worden gezocht. Deze hartenkreet slaakte een Franse bewindsman enkele maanden geleden. Ook Frankrijk heeft te maken met het probleem van de veiligheid in het onderwijs. Nederland werd daar de afgelopen week op schokkende wijze mee geconfronteerd toen een leerling van een VMBO-opleiding in Den Haag een leraar doodschoot. Het is gelukkig een uitzonderlijk voorval. Maar er zijn precedenten. Op een school in Veghel deed zich een schietincident uit eerwraak voor. Er valt ook een parallel te trekken met de dodelijke schietpartij in het muziekcafé Bacchus in Gorinchem, waar twee geweigerde bezoekers terugkwamen met een vuurwapen.

De eerste politieke reacties zijn uit piëteit met het slachtoffer terughoudend geweest. Premier Balkenende betitelde het drama als ,,een voorbeeld hoe wij niet met elkaar om moeten gaan''. Dat is een non-sequitur van formaat waarbij het niet zal kunnen blijven. Onderwijsminister Van der Hoeven ging vrijdag al een stap verder door te zeggen dat directies ,,meer moeten ingrijpen''.

Gedragsproblemen in het onderwijs hebben onmiskenbaar een nieuwe dimensie gekregen door de immigratieproblematiek. Net zoals in Frankrijk richt de blik in Nederland zich eerst op de directe omgeving, zoals minister Van der Hoeven in december te kennen gaf tijdens een overleg met de Tweede Kamer. Daarbij wees zij uitdrukkelijk op de verantwoordelijkheid van scholen en gemeentebesturen. Dat sluit aan bij het accent dat haar collega Remkes (Binnenlandse Zaken) in de algemene veiligheidsproblematiek legt op `urgentiegebieden', zowel geografisch als wat betreft bepaalde thema's of sectoren. Ook daarbij legt de regering het primaat bij de gemeenten. Dat neemt niet weg dat Van der Hoeven wel degelijk een taak erkende van de regering om ,,ontwikkelingen te stimuleren''.

Veiligheid valt volgens de bewindsvrouw ,,niet af te dwingen door een wettelijke verplichting om een veiligheidsparagraaf op te nemen in de schoolgids''. Veiligheid moet worden gedragen door zowel de besturen als de ouders en leerlingen. Een eerste voorwaarde is dat de problemen niet worden verzwegen. Maar er zijn problemen in de achtergrond van leerlingen die zich aan het gezichtsveld van scholen onttrekken. Soms kan een school niet anders dan een onhoudbare leerling verwijderen. Waar moet deze dan naar toe? De wet zegt dat verwijdering pas kan wanneer een ander instituut de leerling opvangt. Maar als dat niet lukt? Het kan, zoals een vorige bewindspersoon opmerkte, ook niet zo zijn dat de school wordt ,,gegijzeld''.

Dat is gemakkelijker gezegddan gedaan in het verkokerde Nederland. De jeugdzorg – waaraan men bij gedragsproblemen op school het eerste denkt – is sterk versnipperd. Critici spreken van een tombola, waaraan soms wel vijftien verschillende hulpverleners per probleemgeval meedoen. Daar moet lijn in worden gebracht door de nieuwe Bureaus voor Jeugdzorg (BJZ), waarvan er nu vijftien zijn. Hun parool is de `zo-zo-zo-aanpak'. Zo snel mogelijk, zo dicht mogelijk bij huis en in zo licht mogelijke vorm. De werkelijkheid wordt gekenmerkt door wachttijden. Zelfs voor crisisopvang moeten jongeren in veel gevallen nog vijf weken wachten.

De regering zegt te onderkennen dat veel jeugdorganisaties kampen met geldgebrek en wachtlijsten. Inmiddels zijn extra middelen beschikbaar gesteld. Ook het onderwijs krijgt bij alle bezuinigingen extra geld. Maar meer dan van geld is het toch een kwestie van prioriteiten. Zoals een verschuiving van de inspraakcultuur voor etnische minderheden naar méér allochtone leerkrachten en hulpverleners die de achtergronden van hun klanten kennen. Het drama in Den Haag heeft soms onthutsende inkijkjes gegeven in de wereld van de opgroeiende migrantenkinderen. Zij zijn wél de generatie van de toekomst van Nederland.