Pilot project

Een Amerikaanse piloot ruziede deze week met de Braziliaanse douane. Hoe ergerlijk scherpe grenscontroles zijn, ondervond Floris-Jan van Luyn onlangs in de Verenigde Staten.

Ik begrijp Dale Robin Hersh heel goed. Grenscontroles zijn oervervelend en soms zou je die mensen wel willen villen. Hersh deed dat deze week, in gebarentaal, en kreeg lik op stuk. De piloot van American Airlines weigerde op gepaste wijze mee te werken aan de verscherpte grenscontroles die Brazilië onlangs heeft ingevoerd – vingerafdrukken en pasfoto's – en kreeg een boete opgelegd van 12.700 dollar. Piloot Hersh had bij het maken van de verplichte foto namelijk zijn middelvinger opgestoken en leverde daarmee het onomstotelijke bewijs van zijn verzet: de belastende foto haalde alle voorpagina's van de Braziliaanse media.

Arme Hersh. Het moet ook knap ergerlijk zijn, want de maatregel geldt uitsluitend en alleen voor Amerikanen en is een pesterige tegenmaatregel van de Braziliaanse regering. Die is verschrikkelijk geërgerd over het feit dat Brazilianen sinds kort aan de Amerikaanse grens worden onderworpen aan precies dezelfde vernederingen. Want Brazilië valt onder het nieuwe programma van het Amerikaanse ministerie van Binnenlandse Veiligheid dat de hele wereld, behalve Europeanen en Canadezen, verplicht tot het nemen van pasfoto's en vingerafdrukken aan de grens. En dat is bijzonder confronterend.

Ik kan daar over meepraten. Mijn Nederlanderschap kon vorige maand niet voorkomen dat ik samen met collega Vincent Mentzel werd onderworpen aan een zelfde onderzoek. ,,Pilot project'', wierp de Amerikaanse douanier mijn voorzichtig gesputter nors tegen. Het vliegveld van Atlanta was een heksenketel, massa's ongeduldige reizigers dromden voor de loketten en de redacteuren van deze krant werden onderworpen aan een pilot project.

Een digitaal oog aan een flexibele arm staart me al nieuwsgierig aan. Of ik er even in wilde kijken. Of ik het nog eens wilde doen. En nog eens – het werkte niet. Pilot project mislukt? Er moest hulp worden ingeroepen. Ik moest wachten. De rij achter mij werd langer, de voorste geledingen raakten onderdrukt geërgerd. Wat zouden ze denken: daar heb je dan een terrorist, of misschien wel: als ze maar niet ontdekken dat ik een terrorist ben.

Wanneer de douanebeambte terugkomt, heeft hij versterking bij zich. Er wordt aan de computer gemorreld. Ik staar weer in het oog en verroer geen vin - vooral geen achterdocht wekken, denk ik. De mannen mompelen tevreden, het is gelukt! Nu mijn vingers nog. De rij zwelt aan. Ongeduld slaat om in hoorbare onvrede. Een kastje met een glazen plaatje op de toonbank wordt schoongeveegd `Leg je vinger erop', wordt mij toegeblaft. Maar welke? Ik denk niet aan mijn middelvinger en loop braaf het rijtje af, eerst links dan rechts. Dan mag ik gaan.

Ik haat grenzen. Vooral die van de Verenigde Staten. Ook al ben ik de onschuld zelve, altijd klopt mijn hart in mijn keel. Enkele jaren geleden, toen Amerika nog niet in oorlog was, ging ik een keer de grens over voor een huwelijksfeest van een Amerikaanse vriend die ik in China had leren kennen. Vertel zoiets dus nooit. Bij het woord `China' raakte de ambtenaar van dienst gealarmeerd. Of ik dan ook Chinees sprak? Ja zeker, ABC, algemeen beschaafd Chinees. Ongeloof. Ik moest maar even wachten. De rij werd langer. Een douanefunctionaris die er zichtbaar Aziatisch uitzag werd aangerukt. Hij sprak me in het Cantonees aan, ik antwoordde gespannen in het mandarijn. Hij moest meteen lachen en ik mocht door.

Wanneer ik in Atlanta bij de uitgang kom lacht Amerika mij toe. Voor mij geen dansende vrouwen en sambaballen, zoals de Amerikaanse gasten die de grenspost van Rio de Janeiro hebben overleefd ten deel valt (als goedmakertje van de regering voor `het aangedane leed'). Maar dat geeft helemaal niets. Ik zit voor de rest van mijn leven in Het Systeem, maar ben eindelijk weer welkom in de Verenigde Staten.