Meeldraden werden mannelijk dankzij vergelijking met dieren

Bij plantkunde hebben we altijd geleerd dat de meeldraden de mannelijke geslachtsorganen zijn en de stampers de vrouwelijke. Is die indeling, die stamt uit de achttiende eeuw, nu in de eerste plaats voortgekomen uit de wijze waarop men toen over mannen (actief en penetrerend) en vrouwen (passief en ontvangend) dacht? Of speelden hierbij (ook) andere factoren een rol?

Volgens bioloog en wetenschapsonderzoeker dr. Christien Brouwer, die 16 januari promoveerde bij het Belle van Zuylen Instituut in Amsterdam, hebben we de indeling vooral te danken aan de toenmalige manieren van natuurvorsers om hun gelijk te halen bij collega's. Zo werd het rond 1700 erg populair om het seksuele leven van planten te vergelijken met dat van dieren en zelfs mensen. De bevruchting werd een `bruiloft' en het bloemblad een `bruidsbed'. Dit alles mede om anderen ervan te overtuigen dat de `mannelijke' meeldraden toch echt voor die zaadvorming nodig waren.

Brouwer raadpleegde de publicaties over de anatomie en functie van stampers en meeldraden. Aanvankelijk was er helemaal geen sprake van een indeling. Zo publiceerde de Italiaan Malpighi in 1675 nog het denkbeeld dat stamper en meeldraad als `vrouwelijke geslachtsorganen' samenwerkten om zaad tot stand te brengen. Pas rond 1694 veranderde dat. Sprak de Franse natuurfilosoof De Tournefort toen nog neutraal over een `samenwerking tussen de stampers als organen waarin de kiemen tot wasdom kwamen en de meeldraden als uitscheidingsorganen', de Duitse geleerde Camerarius zag in datzelfde jaar stampers ineens als `baarmoeders met eierstokken' die samenwerkten met de `als mannelijke geslachtsorganen fungerende meeldraden'. Om anderen te overtuigen knipte hij ze af, zodat duidelijk werd dat zonder meeldraden geen zaad werd gevormd. In de jaren daarna kwam het langzaam maar zeker tot consensus. Met een taxonomische publicatie van de invloedrijke Zweed Carl Linnaeus, waarin `mannelijke' en `vrouwelijke' geslachtsorganen waren gebruikt als criterium om de planten in te delen, werd de indeling in 1735 standaardkennis.

Wat die consensusvorming vergemakkelijkte was vooral het feit dat de onderzoekers na 1695 dezelfde overtuigingstechnieken gebruikten. Ze overtuigden met experimenten, waarbij ze overigens in publicaties hierover ook weer de geleerde associeerden met mannelijk, penetrerend en actief, en de natuur met vrouwelijk, passief en zelfs onderworpen. En ze vergeleken planten dus met dieren. Een verslag van Linnaeus uit 1930 heette Praeludia sponsaliarum plantarum, `Het voorspel van verlovingen van planten', met als ondertitel: `waarin hun fysiologie wordt uitgelegd, hun sekse gedemonstreerd, hun wijze van voortplanten onthuld en (...) tot de analogie van planten met dieren wordt geconcludeerd'. En hoe bepalend nu de cultuur bij die consensvorming was? Brouwer concludeert heel voorzichtig dat de technieken om gelijk te krijgen zich ontwikkelden tegen het `decor' van het denken over de relatie mannelijkheid-vrouwelijkheid.