Jij bent gastarbeider, werk nou maar

Ze moesten zwaar en gevaarlijk werk doen, vertellen drie Turkse gastarbeiders van de eerste generatie. Over Nederlands leren had niemand het. En nu heet hun integratie opeens mislukt. `Er werd geld van ons loon apart gehouden. Voor cadeautjes. Voor zieken. Maar toen ik in het ziekenhuis lag, kwam niemand mij bloemen brengen.'

In 1967 werd Izzet Bozdag gastarbeider in Oostenrijk. In de steigerbouw. Een neef werkte in Nederland. In Rotterdam. Volgens hem was het daar beter. Een goed loon. Vriendelijke mensen. Dus wilde Izzet Bozdag naar Nederland. Hij ging naar het consulaat, waar ze tegen hem zeiden dat hij meteen kon komen. Sinds 1970 woont Bozdag in Rotterdam.

Op 21 oktober 2003 zat Izzet Bozdag in het Rotterdamse stadhuis tegenover de `tijdelijke commissie onderzoek integratiebeleid', de parlementaire commissie die het integratiebeleid van de afgelopen dertig jaar onderzoekt. Izzet Bozdag verwachtte er veel van. Hij wilde vertellen hoe het na al die jaren met hem gaat. Met zijn buurt. Zijn problemen met de taal. De kinderen.

Namens Izzet Bozdag schreef Mekan, `ontmoetingsruimte voor allochtone ouderen' in Rotterdam, de integratiecommissie een paar dagen later een brief. Voor alles wat hij had willen vertellen, stond daarin, was alleen even tijd geweest aan het einde van het gesprek, dat vijftig minuten duurde en waarin ook nog twee anderen werden ondervraagd. Daarvóór was Bozdag bevraagd over loonstroken, contracten en bedrijven die niet meer bestaan. ,,Een open discussie was beter op zijn plaats geweest. Dan hadden we echt kunnen praten over het mislukken van de integratie.''Over allochtonen wordt volgens de brief tegenwoordig veel gezegd ,,in de krant en op tv'', maar naar hen geluisterd wordt er nauwelijks. ,,Waarom, ook wij leven in het nu, geen vraag naar onze huidige omstandigheden, wonen we naar onze zin, kunnen we het financieel een beetje redden of waarom spreken we de taal nog niet goed?''

Izzet Bozdag, Ismet Caylak en Veyes Senyünek, de laatste twee verschenen niet voor de integratiecommissie, willen desgevraagd wel praten over hoe het is om gastarbeider van de eerste generatie te zijn, ook al wantrouwen ze de pers en hebben ze hun geloof in de politiek verloren. De media scheren alle allochtonen over één kam: ,,Ik was laatst in een straat, daar werd een vrouw neergeslagen. Door een Nederlander. Dat kwam niet in de krant, ik heb het nagekeken. Maar als een buitenlander wat heeft gedaan, dan is het: altijd die buitenlanders.''

En dan de politiek. Die bood hun geen taalcursus aan toen ze nog werkten, maar eist nu ze arbeidsongeschikt zijn en thuis zitten dat ze de taal beheersen. ,,Maar als je boven de vijftig bent, kun je niet goed meer naar school. Dan zit je hoofd vol. Allemaal zorgen: je vrouw, je kinderen, daar denk je dan aan. En je kunt het ook niet meer onthouden. Toch zeggen ze: als je de taal niet leert, gaat je uitkering omlaag.''

Van de relatief vriendelijke, tolerante samenleving waarin ze zich dertig jaar geleden vestigden is in hun beleving weinig meer over. Niet dat ze het vroeger zo makkelijk hadden. ,,We verdienden minder en deden zwaarder werk dan de anderen. Het was altijd: werk jij nou maar, jij bent gastarbeider, jij bent hier om te werken.'' Maar toch: ,,Vroeger was het hier goed. De mensen waren goed. Vriendelijk. Ga even zitten, wil je een kopje koffie. Maar nu is het helemaal andersom. Nu is het: ben je buitenlander, sorry, dan hebben we geen werk voor je.''

Nederlands leren hoefde niet

Het gesprek vindt plaats in de ontmoetingsruimte Mekan. Er zit een tolk bij. Veyes Senyünek, die de taal het slechtst spreekt, had daarom gevraagd. Maar eigenlijk is de tolk niet nodig. Bozdag, Caylak en Senyünek spreken weliswaar gebrekkig, maar goed verstaanbaar. Hoe hebben ze dat geleerd?

Izzet Bozdag: ,,Niemand zei tegen ons: jullie moeten de taal leren. Maar wij wilden het wel, want wij moesten samenwerken met onze collega's. Dus dan wezen we iets aan en dan schreven we op wat ze zeiden: suiker, brood, boek, pen. Zo leerden we het een beetje.'' Ismet Caylak vroeg om een taalcursus, die hij ook kreeg. Caylak is de enige van de drie die in eigen land middelbaar onderwijs en een vakopleiding heeft gevolgd. Veyes Senyünek had geen tijd om de taal te leren: ,,Ik werkte in ploegendienst: van twee tot tien, van tien tot zes, van zes tot twee. Met Turken. Allemaal Turken. Hoe moet je dan Nederlands leren?''

Ook al waren ze in een vriendelijk land terechtgekomen, in hun herinnering was er van meet af aan óók discriminatie. Harder werken voor minder geld en doen wat anderen weigerden te doen. Ismet Caylak: ,,We hebben allemaal last gehad van discriminatie. Toen ik lasser was, moest ik een keer veertig meter hoog in de kraanbak om te lassen. De voorman zei: dat is je vak. Maar er waren ook andere lassers. Nederlanders. Die deden het niet.''

Veyes Senyünek: ,,Ik lag een keer een maand in het ziekenhuis. Er kwam niemand op bezoek. Dat vond ik heel erg. Er werd altijd een beetje geld van ons loon apart gehouden. Voor cadeautjes. Voor zieken. Ik had daar ook aan meebetaald. Maar toen ik in het ziekenhuis lag, kwam niemand mij bloemen brengen.'' Een andere keer had hij brandblaren in een handpalm. Hij zei dat hij niet kon werken. Senyünek: ,,Toen zeiden ze: er is geen andere kraanmachinist, je moet doorwerken. Er was wel een andere kraanmachinist. Een Nederlander. Maar die was ziek. Ze hebben toen voor mij een speciale handschoen laten komen, dat ik toch door kon werken. Maar ik was ook ziek.''

Die discriminatie hoorde er een beetje bij, voor het overige was de sfeer gemoedelijk. Dat veranderde begin jaren tachtig. Ismet Caylak: ,,Er kwam minder werk. Toen zei de voorman tegen mij: jij kunt wel schoonmaakwerk gaan doen. Ik zei: nee, dat doe ik niet, ik ben fijnbankwerker, ik ben een vakman. Hij zei: jij bent een gastarbeider, jij moet werken.'' Ismet Caylak schoolde zich om van fijnbankwerker tot lasser tot rijschoolhouder. Izzet Bozdag bleef in de steigerbouw, maar bij een andere werkgever.

Weer later raakten ze geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Veyes Senyünek kreeg last van zijn rug. Ismet Caylak van zijn gewrichten. Izzet Bozdag bleek versleten nekwervels te hebben. Het werd nog moeilijker om aan werk te komen. Veyes Senyünek: ,,Toen wij hier kwamen, hadden ze gastarbeiders nodig. Later kwamen er machines en konden ze ons niet meer gebruiken. Daar kwam het door.'' Ismet Caylak: ,,Vroeger was er werk. Nu hebben we een uitkering. We moeten werk zoeken. Maar wie geeft mij nou werk? Als ik ergens kom, zeggen ze: geen werk. Tegen Nederlanders: kom binnen, ga zitten, dan gaan we even praten.''

Geen werk voor buitenlanders

Kwam de omslag op de arbeidsmarkt in de jaren tachtig, vanaf begin jaren negentig werd de verandering ook voelbaar op straat. Ismet Caylak: ,,Ik denk: er moest een zondebok gevonden worden. Het ging niet goed met de economie en toen gingen ze zoeken. Wie heeft het gedaan? Wie heeft de schuld? De buitenlanders!'' De mensen werden onvriendelijker. Izzet Bozdag: ,,Vroeger groetten de buren. Dag meneer, zeiden ze. Nu kijken ze de andere kant op.''

Zo gebeurde het dat, terwijl ze zichzelf autochtoner gingen voelen, ze steeds meer werden gezien als allochtoon. Izzet Bozdag: ,,Vroeger dachten wij: we gaan naar ons eigen land terug, we zijn gastarbeiders. Maar toen kwamen onze vrouwen. Onze kinderen werden hier geboren. Nu zeggen ze tegen ons: integratie. De media zeggen: integreren. De integratiecommissie vroeg ook aan mij: hoe staat het met de integratie?''

Bij wijze van antwoord gaf hij een voorbeeld. Izzet Bozdag: ,,Ik zei: in mijn straat staat een school. De Mozaïekschool. Daar zitten alleen maar buitenlandse kinderen op. Niet één Nederlands kind. Jullie denken dat wij niet willen integreren. Maar dat is niet zo. De Nederlanders integreren niet. Bij mij in de buurt wonen alleen oude mensen die niet veel geld hebben. Mensen met geld, jonge mensen: die wonen allemaal buiten de stad. Ze zeggen: de buitenlanders willen geen integratie. Maar ik denk: ze willen het zelf niet.''

Veyes Senyünek: ,,Pim Fortuyn, toen die werd vermoord, toen voelde ik mij schuldig. Misschien heeft een buitenlander het gedaan. Dan krijgen wij het op de kop. Dat gebeurde ook toen één Marokkaan iets zei over homoseksuelen. Dan krijgen we allemaal de schuld. Alle moslims. Hetzelfde met drugs. Dat wij allemaal handelaren zijn. Maar het is niet waar. Hetzelfde op school. Als een van onze kinderen ruzie maakt, is het: die buitenlanders weer. Ze zien ons niet als aparte mensen. Het is alsof we allemaal hetzelfde zijn. Maar dat is niet zo. Als één iemand schuldig is, is niet iederéén schuldig.''

Izzet Bozdag: ,,Ik woon langer in Nederland dan in Turkije. Ik heb de Nederlandse nationaliteit. Ik kijk niet met allochtone ogen. Ik kijk met autochtone ogen. Met Nederlandse ogen. Niet met buitenlandse ogen. Bijna alle Turken in Nederland hebben een Nederlands paspoort. Waarom noemen ze ons dan allochtoon? De media moeten ons autochtoon noemen. Ik ben geen buitenlander. Ik ben Nederlander. Ik heb hier gewerkt. Ik ben hier oud geworden. Ik heb hier belasting betaald. Ik ben geen allochtoon.''

Niet dat ze het toegenomen `wij' tegen `zij' gevoel helemáál de Nederlanders aanrekenen. Veyes Senyünek: ,,Ze denken soms ook dat wij vies zijn. Een keer kwam de buurman op bezoek. Die dacht er daarna anders over. Dus misschien ligt het ook wel aan ons. Wij maakten geen contact. Dat kon ook niet, want wij konden niet met onze buren praten. Maar daardoor leerden wij elkaar niet kennen.''

Alfabetcursus

Ze denken wel dat het henzelf meer treft dan hun vrouw of kinderen. Hun vrouwen hebben er in zekere zin nu baat bij dat ze nauwelijks zijn geïntegreerd: zij waren al buitenstaanders. Ismet Caylak: ,,Mijn vrouw spreekt de taal niet goed. Ze heeft het niet geleerd. Alleen met boodschappen doen. Een kilo. Een pond.'' Izzet Bozdag: ,,Mijn vrouw is niet op school geweest. Nu volgt ze hier een alfabetcursus. Op Mekan. Zij is niet geïntegreerd.'' Veyes Senyünek: ,,Mijn vrouw maakt minder contacten. Ze voelt minder discriminatie. Maar toen ze ging schoonmaken, moest ze haar hoofddoek afdoen. Dat wilde ze niet. Ik zei: dan blijf je maar thuis.''

Voor hun kinderen geldt het omgekeerde. Die voelen zich minder buitengesloten omdat ze beter geïntegreerd zijn. Veyes Senyünek: ,,Zij hebben er niet zo'n last van dat het hier is veranderd. Het is vooral voor de ouderen onvriendelijk geworden. Jongeren zitten op school. Hun vrienden zijn Nederlands. Rotterdams. De ouderen denken ook: als die buitenlanders er niet waren, hadden wij het economisch beter.''

Geen van hun kinderen is ontspoord: ze werken, zijn huisvrouw of zitten nog op school. Ismet Caylak was wel bang dat het mis zou gaan. Hij stuurde zijn vier kinderen in zijn vaderland naar de middelbare school. Zij wonen daar nu. Ook hijzelf en zijn vrouw keren binnenkort terug. Caylak: ,,Als kinderen hier blijven, gaan ze rare dingen doen. Dan komt er ruzie en komen er klachten. Ik zie dat bij vrienden. Die kinderen moeten dan naar een opvanghuis. Dan komen ze weer thuis en gaan ze wéér de straat op. Daarna komen ze in de criminaliteit. In de drugshandel. Dan zijn je kinderen helemaal verloren. Dan ben je ze kwijt. Dat wilde ik niet. Ik wilde dat mijn kinderen ingenieur werden of leraar.''

De betere integratie van hun kinderen leverde thuis wel regelmatig spanningen op. Veel onenigheid viel terug te voeren op gebrek aan respect van de kinderen voor hun ouders. Veyes Senyünek (vijf kinderen, drie getrouwd, twee op school): ,,Mijn kinderen zijn niet zo brutaal als de kinderen hier. Maar ze zijn niet zoals mijn vrouw en ik het willen. Ik wil onze cultuur. Niet helemaal, maar wel als ik binnenkom, dat ze dan opstaan. (Hij gaat onderuitgezakt zitten, de armen achter het hoofd gevouwen:) maar ze zitten zo. Of ik zeg: jullie moeten om negen uur thuis zijn. En dan komen ze om tien uur. Of elf uur. Dan word ik kwaad.''

Ismet Caylak: ,,Als ik zeg: ik heb dorst, dan zegt mijn dochter: zal ik wat water voor je halen? Maar hier is het: vader, breng je me wat water? Daarom dacht ik: ik wil niet dat mijn kinderen hier opgroeien. Want dat is een groot probleem.'' Izzet Bozdag (twee kinderen in Turkije, één kind en twee kleinkinderen in Nederland): ,,Het gebeurt wel eens, dan komen kinderen thuis van school. Dan praten ze Nederlands. Dan wordt de moeder kwaad. Of de vader. We zijn hier niet op straat, zeggen ze dan.''

Veyes Senyünek: ,,Als ik thuiskom, ligt mijn zoon op de bank tv te kijken. Ik maak dan een gebaar met mijn handen: rechtop. Oh ja, zegt hij dan. Nu is hij ouder, twintig, nu gaat het beter. Mijn schoonzoon komt uit Ankara. Die staat op als ik binnenkom. Mijn dochter zei: waar heb je dat geleerd? Hij zei: zo doen wij dat, want ouders zijn ouder, daar sta je voor op. Ik heb een broer in Turkije. Die is veertig. Jonger dan ik. Als mijn zoon daar is, staat hij voor hem op. Dus in Turkije doet hij het wel.''

Ze denken dat het in de toekomst beter zal gaan: meer integratie. Izzet Bozdag: ,,Mijn dochter integreert. Bij haar thuis komen Nederlanders. De cultuur is Turks. Maar ze integreert.'' Veyes Senyünek: ,,Mijn kinderen spreken beter Nederlands dan Turks. Maar dat is niet erg. Zij verstaan mij. En ik versta hun.'' Ismet Caylak: ,,Het zal beter gaan. De eerste generatie gaat dood. De tweede en derde generatie blijven over. Die spreken de taal. Dan komen er minder problemen. Onze mentaliteit verandert. De nieuwe generatie, die is al bijna Nederlands. Ze gaan naar dezelfde school. Dezelfde discotheek. De toekomst wordt goed. Dat denk ik.''

Alleen voor henzelf is het te laat. Ismet Caylak is daarom blij dat hij terugkeert: ,,Het is niet leuk als mensen twee kanten op praten. In je gezicht slijmen ze met je. Dan draaien ze zich om en achter je rug praten ze over je.'' Izzet Bozdag: ,,Het is voor iedereen beter om in je vaderland te zijn. Maar het brood is hier.'' Ismet Caylak: ,,In Turkije, als ik daar kom, kus ik de grond. Echt waar.'' Veyes Senyünek: ,,Dat deed ik vroeger ook. Ik wil óók graag naar Turkije. Maar het kan niet. Mijn kinderen zijn hier. Mijn vrouw is hier. Maar als ik dood ben, wil ik in mijn vaderland begraven worden.'' Izzet Bozdag: ,,Als het economisch hetzelfde was, dan was ik niet hier gekomen. Maar nu moest ik wel. Je eigen land is je vaderland. Daar wil je het liefste zijn. Mijn buren denken dat ook. Nederlanders denken dat. Turken. Andere allochtonen. Iedereen denkt dat.''

Toen mijn vrouw ging schoonmaken, moest ze haar hoofddoek afdoen. Ik zei: dan blijf je maar thuis

Mijn schoonzoon komt uit Ankara. Die staat op als ik binnenkom.

Mijn dochter zei: waar heb je dat geleerd?