`Ik ben een Arabier/ En ik ga hier nooit weg'

Vrolijke glamour en glitter ontbreken, politiek voert de boventoon. Toch blijven de nieuwe helden van de Israëlische hiphop-industrie aardige jongens.

In het land waar restaurantbezoek dodelijk kan zijn en soms met scherp op demonstranten wordt geschoten, maken dreigend ogende hiphoppers al snel een vriendelijke indruk. Hoezeer de leden van DAM hun best doen grimmig gevaar uit te stralen, zoals hun voorbeeld Tupac Shakur, in het Israëlisch perspectief blijven zij aardige jongens.

De nieuwe helden van de Israëlische hiphop-industrie, Arabische Israëliërs, vallen in eerste instantie in het volle cafetaria van de Universiteit van Tel Aviv niet eens op. Pas als Tamer Nafar (21), Suhell Nafar (20) en Mahmud Jrery (19) opstaan om zich voor te bereiden op hun optreden, worden zij met het nodige kabaal herkend door de studenten, joods en Arabisch. Alsof het eerbetoon vanzelfsprekend is, ondergaan zij de tweetalige loftuitingen.

Tussen grote optredens in Haifa, Tel Aviv en Ramla trekken zij langs universiteiten, clubs en verenigingen, zoals deze avond op uitnodiging van de Israëlisch-Arabische Studentenvereniging in Tel Aviv. Het wordt een zeer eenvoudig optreden voor een zaal vol liefhebbers: drie microfoons en een draaitafel, geen begeleidend strijkorkest; de gedecolleteerde dames die meestal rond hun Amerikaanse voorbeelden cirkelen, ontbreken. Politiek voert de boventoon, ook hier. Vrolijke glamour en glitter zijn blijkbaar uit den boze.

Op hun eerste CD `Ik ben geen terrorist' doen sentimentele violen en gitaren overigens wel volop mee. Hoe basaal hun act ook moge zijn, het publiek hoeft allang niet meer overtuigd te worden. Als de voorzitter van de studentenvereniging braaf ,, de discriminatie van christelijke Arabische studenten omdat deze joodse universiteit geen kerstboom in de hal wilde plaatsen'' aan de kaak heeft gesteld, zet DAM dreunend het openingsnummer in; een ode aan een jongen uit Nazareth die vorig jaar om iets futiels door de grenspolitie in elkaar werd geslagen. De mannelijke studenten in de zaal blijken de situatie te herkennen.

Bij het derde nummer juichen, fluiten, en sissen alle jonge vrouwen, enkelen met hoofddoeken. ,,Jij mijn zuster/jij mijn moeder/jij mijn tante/ houd je hoofd omhoog/ kijk niet altijd naar beneden. Aan jou mijn zuster/aan jou mijn moeder/aan jou mijn tante/ aan jullie bied ik mijn excuses aan/ jullie hebben geen stem/ wij luisteren niet naar jullie/wij horen jullie stem niet/jullie moeten je stem verheffen/aan jullie bied ik mijn verontschuldigingen aan.''

Vlak voor hun optreden had Tamer Nafar gewaarschuwd bij dit nummer goed op de reacties van de zaal te letten. ,,De meeste jongens blijven bij deze tekst onbewogen, maar de meeste vrouwen reageren meteen. Dat bedoel ik, als ik zeg dat wij het CNN zijn van de jonge Israëliërs, de Arabieren, ik zeg liever de Palestijnen, in het bijzonder. Onze teksten gaan over wat er onder hen leeft. Wij komen uit de ghetto's van Al-Ramleh en Al-Lid, Ramla en Lod in het Hebreeuws. Vrouwenrechten zijn voor de jongeren een hele belangrijke zaak, mijn oudere vrienden vinden deze tekst helemaal niets, maar wij kunnen er niet omheen. De wijze waarop vrouwen behandeld worden, is niet meer van deze tijd.''

Voor het geval hem verregaande braafheid kan worden verweten, probeert hij in het bijzijn van onder andere de Arabisch-Amerikaanse muziekproducente Renda en de Palestijnse journaliste Nidal Rafa, enkele provocerende teksten uit. ,,Rap komt voor ons op de eerste plaats, seks op de tweede plaats, of is het andersom, en islam op de derde plaats.'' De lage notering van de islam lokt gesis uit. Aangemoedigd voegt hij er aan toe: ,,Als je als man genoodzaakt bent je vrouw toch te slaan, sla dan maar meteen heel hard.''In het verontwaardigde gejoel roept hij voor alle zekerheid toch maar: ,,Grapje!'' Renda, die DAM naar New York en San Francisco zal halen, knikt goedkeurend.

Het succes van DAM – dat in Arabisch onsterfelijk betekent, in het Hebreeuws bloed en in het Engels verdomd – is eigenlijk niet op schokkende en denigrerende teksten gebaseerd. Die tijd heeft Tamer, die een paar jaar samen met Sublimal, de joodse koning van de Israëlische hip-hop, optrad op universiteiten, clubs en legerbases, achter de rug. Over de breuk tussen Tamer en Sublimal (Kobi Shimoni) is de documentaire Channels of Rage gemaakt.

Sublimal, die zich met nummers als Verdeel en Heers en Licht en Schaduw nu opwerpt als de stem van nationalistisch rechts, is de tegenhanger van DAM dat rapt tegen drugs, voór het respecteren van vrouwen, tegen eerwraak, tegen discriminatie van de ,,Mohammeds en de Fatima's'', zoals Israëlische militairen de Arabieren dikwijls noemen. En uiteraard tegen de bezetting van de Westelijke Jordaanoever. Live-optredens daar en in de Gazastrook vormen een probleem wegens de grenssluitingen en de controleposten. De fans daar worden via het internet bediend.

Soepeltjes schakelt DAM van Arabisch naar Hebreeuws. A capella: ,,Luister Moshe/Luister Shlomo/Luister Ariel/Ik heet Mohammed/ik ben een Palestijn/Ik woon hier/Net als mijn vader/Mijn grootvader/Mijn overgrootvader/Mijn bet-overgrootvader/ Ik heet Mohammed/Ik ben een Arabier/En ik ga hier nooit weg''. Het gaat er in als baklava. Tamer: ,,Deze studenten vormen straks de nieuwe elite, maar toch voelen zij dat zij onderaan in de totempaal zitten. Ik houd hen voor dat ze de moed nooit mogen opgeven en moeten knokken.''

Het voorlaatste nummer 'Fuck the dealers' is een tirade tegen de ,,joodse én Arabische drugsdealers''. ,,Drugs zijn het grootste probleem, daarna komen racisme en discriminatie. Er sterven ieder jaar 30 jongeren aan een overdosis.'' Onbewogen luisterend laten de studenten de waarschuwingen over zich heen komen, er wordt geschaterd als Tamer, soepel heupwiegend, brult dat seks zoveel leuker is. Een groepje studentes met beige en groene hoofddoeken lacht het hardst. Een van hen is Layla al-Jarai uit Kfar Qassem op de grens met de Westelijke Jordaanoever: ,,Het is waar, hij heeft gelijk en daarom zijn ze zo goed. Ze hebben het over dingen die mij aangaan, ze gebruiken woorden die je nooit in boeken tegenkomt, of thuis hoort.''

Deel zes van een serie over lokale muziekhelden. Eerdere delen verschenen op 20 en 31 december, en 3, 6 en 11 januari.