Grote zaagbek

In de luwte van wilgenstruiken langs het Hoefijzermeer in de Noord-Hollandse duinen bij Castricum drijft een vlucht zaagbekken, de grote zaagbek (Mergus merganser). De mannetjes poetsen de stralend witte vleugelveren en zwarte, buitenste pennen. De diepgroene kop is het belangrijkste veldkenmerk. Het vrouwtje is blauwgrijs getekend met wilde kuif in vossenrood. In de late avondzon gloeit de borst van het mannetje zalmroze op. Met de van tandjes voorziene rode snavel verschalkt de grote zaagbek voedsel: vooral vis. Deze uitstekende duiker, die makkelijk een diepte van vier meter bereikt, vliegt traag en zwaar, een soort onderzeeër die zich boven het zoete water verheft.

Het is winter. De natuur rust, heet het dan. Dat is niet waar. De vogels zijn, eind december, een kluwen onrust. Zodra het ene mannetje te dicht bij het andere komt, zet een van beide dreigend de zwartgroene kuif op. De vrouwtjes doen alsof ze niets in de gaten hebben, wel zoeken ze vaak de flank van een der mannetjes op. Deze duikergans of zaageend, zelfs heet hij toepasselijk boterbuik, is een prachtvogel die op wintertrek is uit het hoge noorden.

Illustratie: Rein Stuurman

(Zien is kennen!)

Tekst: Kester Freriks; freriks@nrc.nl