Een uitzonderlijke directeur

Het lijkt wel een hype: het beschrijven van de geschiedenis van een school. In korte tijd kreeg ik daar maar liefst drie voorbeelden van onder ogen. Misschien heeft het, net als de toenemende aandacht voor streekgeschiedenis, te maken met heimwee naar een verleden waarin het leven nog overzichtelijk was. Dit verklaart ook de ruime aandacht voor de recente geschiedenis van opeenvolgende fusies en de weemoed om alle fraais dat daarbij onherstelbaar is verdwenen.

Omdat de geschiedschrijvers meestal zelf nauw betrokken waren bij de ontwikkelingen, verliezen zij zich vaak in voor de buitenstaander oninteressante of onbegrijpelijke details. Dat geldt bepaald niet voor het boek dat werd geschreven door Reinildis van Ditzhuyzen. Zij beschreef als relatieve buitenstaander (het gaat om de school waar haar kinderen op zaten) de geschiedenis van de katholieke Sint Paschalis basisschool in Den Haag. De achtergrond van de auteur (historica), stelde haar in staat om de geschiedenis van de school, als exempel van het Rijke Roomse Leven, te plaatsen tegen de achtergrond van bredere maatschappelijke ontwikkelingen.

Wat het boek voor mij bijzonder maakte, is dat het zo'n treffende illustratie vormt van de ontwikkeling die de katholieke instituties in de tweede helft van de vorige eeuw hebben doorgemaakt: de jaren zestig waarin ze hun tradities steeds krampachtiger verdedigden tegen de veranderende tijdgeest om vervolgens, in de jaren zeventig, niet alleen alle verzet te laten varen, maar, meer dan welke andere zuil dan ook, de nieuwe tijdgeest te omarmen. De universiteit in Tilburg bekeert zich tot Marx en die van Nijmegen tot niets hoeft en alles mag. Die ontwikkeling leidde op veel plaatsen in primair en tertiair onderwijs tot chaotisch en kwalitatief allerberoerdst onderwijs. Dat de middelbare scholen dit grotendeels bespaard bleef, hebben we te danken aan de centraal schriftelijke eindexamens. Laten we dit nooit vergeten.

Als er op de Paschalisschool in 1972 een nieuw hoofd moet komen, toont niemand belangstelling voor die functie. Behalve een 25-jarige net aangetreden onderwijzer. Wat dan volgt is een haast hilarische beschrijving van de overgang naar het alles-moet-kunnen tijdperk. Het jeugdige hoofd krijgt alle ruimte. De school die tot dan toe vooral ouderwets, streng en degelijk was, wordt ineens een pretpark met dieren waaronder een heuse klimgeit. Op het speelterrein wordt een plek ingeruimd voor het kweken van onbespoten sla, die overigens niet veilig blijkt te zijn voor de avontuurlijke geit, en als een leerkracht jarig is wordt dat tussen de middag gevierd met een fles sherry à raison van drie gulden vijftig die door het katholieke schoolbestuur ruimhartig wordt vergoed. Schoolgaan werd voor de kinderen, zo herinneren zich de oud-leerlingen, ineens een feest.

Als gevolg van de vergrijzing van de buurt en het wegebben van de geboortegolf nemen de leerlingenaantallen af, maar mede dankzij het enthousiasme van de directeur weet de school het hoofd boven water te houden en zelfs meer dan dat. De school gaat weer groeien. Onstuimig zelfs, maar de veranderende tijdgeest en de sterk toegenomen omvang hebben gevolgen voor de taken van de directeur. Die moet meer en meer gaan managen. Hij is niet de enige directeur van een basisschool die de afgelopen jaren heeft moeten ervaren dat een dergelijk nieuwerwets takenpakket hem of haar niet op het lijf was geschreven maar het feit dat hij dat zelf als geen ander beseft en daaraan de consequentie verbindt om terug te treden en weer `gewoon' leraar te worden bewijst dat hij inderdaad een uitzonderlijke directeur moet zijn geweest.

prick@nrc.nl