Dure soldaten

HET `GEBROKEN geweertje' heeft ook in de geschiedschrijving zijn sporen nagelaten: militaire geschiedenis was in ons land niet salonfähig. Historici hebben de voorbije decennia de burgerlijke en vredelievende karaktereigenschappen van onze voorouders sterk uitvergroot. Het ontbreken van een militaire traditie werd verklaard (en gerechtvaardigd) door te wijzen op de figurantenrol waartoe de Lage Landen veroordeeld waren bij eventuele conflicten tussen de Europese grootmachten.

De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat de beoefening van de militaire geschiedenis ten onrechte verwaarloosd is. Niet alleen was in de Lage Landen in de vroegmoderne tijd oorlog een alledaags verschijnsel (de zestiende eeuw telde 85 oorlogsjaren en de zeventiende eeuw 73), maar deze regio was ook op militair gebied een van de laboratoria van Europa. Gelet op ons pacifistisch gekleurde zelfbeeld, bevreemdt het dan ook niet dat het buitenlandse historici waren die al een kleine halve eeuw geleden de Nederlandse gewesten aanwezen als het gebied waar zich een `militaire revolutie' zou hebben voltrokken.

Tussen 1590 en 1600 leidden de Nassause legerhervormingen – zo wil deze theorie – via de oprichting van het staande leger uiteindelijk tot het ontstaan van de moderne staat. De redenering hierachter is eenvoudig. Maurits en Willem Lodewijk van Nassau prefereerden goed geoefende en gedisciplineerde beroepssoldaten die met succes in relatief kleine eenheden konden opereren. De hoge graad van geoefendheid, die voor het uitvoeren van de complexe bewegingen op het slagveld vereist was, maakte het wenselijk de troepen ook tijdens de wintermaanden in dienst te houden. De schaalvergroting die hiervan het gevolg was, had grote financiële consequenties: geregelde betaling van soldij is een eerste voorwaarde om beroepssoldaten voor langere tijd loyaal aan hun broodheer te laten blijven. Dit alles vormde voor de overheid een noodzaak zich intensief met de strijdkrachten te bemoeien.

Pas de laatste jaren is de militaire geschiedenis wat meer van de periferie naar het centrum van de academische historische belangstelling opgeschoven. De instelling van een bijzondere leerstoel aan de Universiteit Leiden en de recente uitgave van het overzichtswerk Met man en macht. De militaire geschiedenis van Nederland 1550-2000 getuigen daarvan. Maar dit is, zo blijkt uit het BMGN-themanummer `Legerorganisatie en oorlogvoering in de Lage Landen tijdens de zestiende en zeventiende eeuw', slechts het topje van de ijsberg. In dit nog op de valreep van 2003 verschenen nummer zijn zes bijdragen opgenomen die van de ontloken belangstelling voor de militaire geschiedenis getuigen: naast een gedegen inleiding op het thema (door Jeroen Duindam) en een uitvoerige bespreking van Met man en macht (door W. Klinkert), is er ruimte voor vier artikelen die gestoeld zijn op ouderwets archiefonderzoek.

Uit deze bijdragen wordt al snel duidelijk dat het laatste woord over de `militaire revolutie' nog niet gesproken is. Op basis van zijn recent afgerond promotieonderzoek laat M.A.G. de Jong zien op welke wijze de jonge Republiek tussen 1585 en 1621 op weldoordachte en rationele wijze zich steeds intensiever met het militaire bedrijf ging bemoeien. Hij heeft veel geteld en gerekend en komt op basis daarvan tot de conclusie dat de Nassause legerhervormingen (met name de standaardisering van de vuurwapens) inderdaad aan de wieg staan van een militaire revolutie.

Olaf van Nimwegen (die over een jaar zijn proefschrift afgerond hoopt te hebben) deelt die mening niet. Zijn onderzoek toont aan dat het Staatse leger lange tijd nog een particuliere verantwoordelijkheid van de officieren bleef, waaraan de staat slechts op enige afstand bijdroeg. Onthullend is het te lezen dat particuliere geldschieters en officieren een financiële buffer vormden voor de centrale overheid, die meestal traag (en soms zelfs helmaal niet) betaalde. Ook de werving, opleiding en uitrusting van de gemonsterde soldaten was en bleef een verantwoordelijkheid van de officieren. Hoe groot het financieel risico voor hen kon zijn, blijkt wel uit het voorbeeld van vaandrig Jacob Catz. Deze moest in 1635 in Utrecht en omgeving rekruten werven, waarbij hij nauwgezet verslag deed van zijn werkzaamheden en de uitgaven op de cent nauwkeurig noteerde. Zo weten we nu dat bij het werven het bier rijkelijk vloeide en dat militaire ervaring al op voorhand verzilverd werd. De totale kosten die Catz maakte voor de werving van dertig soldaten kwamen uit op 373 gulden (omgerekend is dat meer dan een modaal jaarinkomen). Voordat hij op de plaats van bestemming arriveerde, waren er al zeven gedeserteerd.

De kosten en schuldenlasten verbonden met leger en oorlogvoering waren met afstand de grootste uitgavenpost op de begroting van de vroegmoderne staat. De gestage groei van de legers, de aanleg van een nieuw stelsel van fortificaties en de opbouw van een oorlogsvloot deden gedurende deze eeuwen een zware aanslag op de financiële inventiviteit van de staat. Het themanummer van de BMGN bevat meer van dit soort voorbeelden waaruit blijkt dat de overheid in de Lage Landen zich al van privatisering en deregulering bediende vóórdat er van echte staatsvorming sprake was. Dat is nog eens een revolutionair nieuw inzicht.

legerorganisatie en oorlogvoering in de lage landen tijdens de zestiende en zeventiende eeuw. themanummer van Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der nederlanden, jaargang 118 (2003), nummer 4; prijs: 17 euro (excl. porto); inlichtingen 070-3140637.