Dikker Banger Bozer

In november werd de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten, toen nog twaalf, opgesloten in de justitiële jeugdinrichting De Doggershoek in Den Helder. Er was geen kliniek die haar wilde opnemen. Nu is er wel een plek in een kliniek, maar ze mag De Doggershoek niet uit. Het meisje heeft niets strafbaars gedaan. Staatssecretaris Ross van Welzijn heeft gevraagd de zaak te onderzoeken.

Op vrijdag 14 november 2003 neemt de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten afscheid van haar school in Haarlem. De kinderrechter in Amsterdam heeft vier dagen daarvoor toestemming gegeven om haar naar een justitiële jeugdinrichting te brengen. Niet omdat ze iets strafbaars heeft gedaan, maar omdat er geen kliniek te vinden is die haar wil opnemen. Het meisje – ze is dan nog twaalf – heeft een ernstige hechtingsstoornis, waardoor ze vaak onhandelbaar is. Haar pleegouders hebben drie maanden eerder, op 19 augustus 2003, tegen haar voogd gezegd dat ze niet meer bij hen kan wonen. Ze hoopten dat er daardoor eindelijk een plek zou komen waar hun pleegdochter volgens de psychiaters die haar onderzochten het best zou kunnen opgroeien: in een `drie-milieu-setting'. Wonen, naar school gaan en vrije tijd doorbrengen in een omgeving waar ze de mensen die om haar geven wel kan zien, maar niet steeds om zich heen heeft. Kinderen met een hechtingsstoornis kunnen slecht warmte en liefde verdragen.

Laura en Gerard van Straaten denken er in augustus geen moment aan dat de beslissing om hun pleegdochter niet meer bij hen thuis te laten wonen ook heel andere gevolgen kan hebben. In de drie maanden daarna voltrekt zich een proces dat niemand lijkt te willen – de psychiaters niet, de kinderrechter niet en ook Jeugdzorg Amsterdam die de voogdij heeft niet – en dat toch eindigt in de opsluiting van een kind in de gevangenis, al mag dat van Jeugdzorg en het ministerie van Justitie zo niet worden genoemd. Want in Nederland worden geen kinderen in de gevangenis opgesloten, er worden minderjarigen behandeld in een `gesloten setting', vaak omdat ze crimineel zijn, maar steeds vaker omdat ze `ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd'.

Dat zijn de kinderen die civielrechtelijk in een justitiële jeugdinrichting zitten. In Nederland zijn het er steeds meer: nu ongeveer 650, in 2000 ongeveer 250. En dat zijn dan alleen de zogenoemde crisisplaatsingen. Het aantal behandelplaatsingen is van 350 in 2000 opgelopen naar ongeveer 500 in 2003. Het zijn kinderen – meest meisjes rond de zestien – van wie Jeugdzorg denkt dat ze zich gaan prostitueren of aan drugs verslaafd raken als er niet wordt ingegrepen.

In augustus 2003 vroegen de Kamerfracties van het CDA en de SP aan minister Donner van Justitie en staatssecretaris Ross-Van Dorp van VWS hoe het kwam dat het er steeds meer werden. Donner en Ross – beiden CDA – antwoordden dat ze het niet wisten. Het CDA en de SP vroegen ook of het de bedoeling is dat deze kinderen onder Justitie vallen en terechtkomen tussen dieven en dealers, verkrachters en moordenaars. Kinderen die crimineel zijn hebben bijna altijd psychiatrische problemen. Maar kinderen met psychiatrische of orthopedagogische problemen zijn lang niet altijd crimineel. Moeten ze dan toch zo behandeld worden? Horen ze niet onder het ministerie van Volksgezondheid te vallen en ondergebracht te worden in psychiatrische of orthopedagogische klinieken? Donner en Ross konden er niets op zeggen. De `samenplaatsing', antwoordden ze, wordt dit voorjaar geëvalueerd, bij de behandeling van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. Daar wilden ze op wachten.

Maar de klinieken waar het CDA en de SP het over hadden zijn er in Nederland bijna niet meer. Klinieken waar kinderen met een normale intelligentie een paar jaar kunnen blijven, niet voor straf, maar om zich zo te leren gedragen dat ze zich later staande kunnen houden. Ze zijn verdwenen in de jaren '80 en '90, de tijd waarin psychiaters dachten dat het beter was om kinderen `ambulant' te behandelen. Beleidsmakers vonden dat ook beter: het kostte minder geld. De geschiedenis van het meisje in dit verhaal laat zien dat de klinieken die er nog wel zijn lange wachtlijsten hebben en geen kinderen opnemen van wie ze denken dat ze hen niet aankunnen. De geschiedenis van het meisje laat ook zien dat hulpverleners tien jaar lang door te weinig samenwerking, inzet en continuïteit alles zo verkeerd kunnen laten gaan dat opsluiting in een justitiële jeugdinrichting op het laatst nog de enige mogelijkheid lijkt te zijn. Justitiële jeugdinrichtingen móéten een kind opnemen.

Gracht met tralies

Laura en Gerard van Straaten zijn verbijsterd als de kinderrechter op 10 november zegt dat hun pleegdochter voorlopig mag worden opgesloten. Het meisje kan naar De Doggershoek in Den Helder, voor een crisisplaatsing. Maar Laura en Gerard van Straaten denken dan nog dat het écht voorlopig is, want de kinderrechter heeft ook gezegd dat de forensisch-psychiatrische dienst van Justitie moet onderzoeken of het noodzakelijk is om het meisje op te sluiten. Dat onderzoek moet voor 25 november klaar zijn. Op de ochtend voor de opsluiting koopt Laura van Straaten lekkers voor haar pleegdochter, om op school uit te delen. De kinderen uit haar klas – groep acht van een gewone basisschool – hebben tekeningen voor haar gemaakt en briefjes geschreven. Sommige kinderen hebben cadeautjes meegebracht. Een van haar twee juffen zegt dat aan het tafeltje van het meisje geen ander kind komt te zitten. Ze hoopt dat het meisje snel weer terug zal zijn.

's Middags halen Laura en Gerard van Straaten samen met hun pleegdochter haar spullen op uit de Argonaut in Amsterdam, de kinderpsychiatrische kliniek waar ze de weken ervoor tijdelijk is ondergebracht. Daarna brengen ze haar in hun eigen auto naar Den Helder, ze willen niet dat ze met een busje van Justitie gaat. Op internet hadden ze gezien dat De Doggershoek in een nieuw en modern gebouw zit. Als ze komen aanrijden, zien ze de gracht en de hoge muren, de tralies voor de ramen. Hun pleegkind moet alleen door een helverlichte gang lopen en zich daarna helemaal uitkleden. Overal wordt ze onderzocht op drugs of andere dingen die verboden zijn. De tekeningen en cadeautjes die ze op school heeft gekregen moet ze inleveren. Haar pleegouders krijgen ze later mee naar huis.

Het meisje komt in een groep van twaalf meisjes, van wie er – zegt ze tegen haar pleegouders – één een moord heeft gepleegd, en één een poging tot moord heeft gedaan. Van de andere meisjes weet ze het niet. Ze zijn allemaal ouder dan zij: vijftien, zestien, zeventien. Maar het meisje ziet ze maar weinig. Ze mag maar een halfuur per dag `op de groep', en als ze na een paar weken langer mag blijven, wil ze het niet. Ze is bang voor de meisjes, zegt ze tegen haar pleegouders. Het meisje gaat ook niet naar school. Hele dagen en nachten ligt ze op bed televisie te kijken, niemand let op wat ze ziet. Ze komt niet buiten, ze krijgt geen lichaamsbeweging. Door de medicijnen die ze moet slikken is ze al dik. Nu wordt ze nog dikker.

Als ze na zes weken wel naar school mag, de school van De Doggershoek, verslaapt ze zich vaak – ook door de medicijnen. En dan moet ze voor straf tot vier uur 's middags in haar cel zitten. Haar pleegouders vragen aan de leiding van De Doggershoek en de voogd of ze met kerst twee dagen naar huis mag. Het mag niet. Ze vragen of ze, als ze op bezoek komen, een spelletje mogen meenemen, of papier en potlood. Dan hebben ze wat te doen in het uur – twee keer per week – dat ze bij elkaar zijn. Het mag niet. Als ze haar in een kamer apart bezoeken, wordt het meisje naakt gevisiteerd, ook al is er steeds een bewaker bij geweest. Ze vindt het zo erg dat ze haar pleegouders liever ziet in de zaal waar de andere kinderen ook met hun ouders zitten.

Oud vrouwtje

Op 20 september en op 8 november van het afgelopen jaar beschreef deze krant hoe de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten eind november 1990 werd geboren in een ziekenhuis in Amsterdam. Haar moeder is verslaafd aan alcohol. Na drie maanden ligt het meisje weer in het ziekenhuis, met brandwonden en een gebroken been. Op haar tweede komt ze in het gezin van Laura en Gerard van Straaten. Op haar derde gaat ze naar een kindertehuis, omdat de voogdijvereniging (nu Jeugdzorg) vindt dat haar moeder een kans moet krijgen om haar weer zelf op te gaan voeden. Van de ene op de andere dag mag het meisje haar pleegouders, pleegzusjes en pleegbroer niet meer zien. Maar op haar vierde gaat ze toch weer terug naar het gezin van Laura en Gerard van Straaten, met excuses van de voogdijvereniging. Haar moeder wordt uit de ouderlijke macht ontzet, een paar jaar later overlijdt ze.

Op haar achtste beginnen de woedeuitbarstingen van het meisje zo erg te worden dat haar pleegouders haar aanmelden bij de Argonaut, de kinderpsychiatrische kliniek in Amsterdam. De diagnose is: hechtingsstoornis en ernstige traumatisering, oppositionele gedragsstoornis en mogelijk depressie en ADHD. De behandeling die wordt voorgesteld: opname in een orthopedagogische kliniek. Maar het lukt de pleegouders vier jaar lang niet om het meisje ergens voor langere tijd geplaatst te krijgen. Het meisje krijgt op het laatst zo veel medicijnen dat ze, zoals haar pleegmoeder zegt, voorover loopt als een oud vrouwtje. In februari 2003 vraagt Jeugdzorg Amsterdam voor de eerste keer aan de kinderrechter in Amsterdam om toestemming voor een `uithuisplaatsing in een gesloten voorziening'. Dat betekent: in een justitiële jeugdinrichting. De pleegouders zijn het daar niet mee eens. De kinderrechter ook niet. Hij vindt dat goed moet worden uitgezocht of de problemen van het meisje psychiatrisch of orthopedagogisch zijn. En Jeugdzorg, zegt hij, moet een goede behandelplek voor het meisje zoeken.

De behandelplek komt er niet. Laura en Gerard van Straaten vinden wel een school voor het meisje, een gewone basisschool, waar ze het goed doet. Dat komt, denken ze, door de duidelijkheid en de vanzelfsprekende afstand die er is tussen leerkracht en leerlingen. Niemand komt te dicht bij haar. En ze vindt het leuk om te leren. Maar thuis is ze niet te hanteren. Als het op een dag weer eens heel erg is geweest, zegt de Riagg dat ze meteen moet worden opgenomen. Maar hoe lang er ook wordt rondgebeld, ze kan nergens heen. Dus gaat ze weer met Laura en Gerard van Straaten mee. In augustus, als het meisje in Frankrijk op kamp is met kinderen met psychiatrische problemen, besluiten ze dat ze zo niet langer willen doorgaan. Op een vrijdagavond moeten ze haar van de trein ophalen. Maar ze doen het niet. Het meisje wordt door Jeugdzorg naar de crisisopvang van Beter met Thuis gebracht. Haar pleegouders denken dan nog dat er door hun besluit eindelijk wel een goede behandelplek zal komen.

En eerst lijkt het daar ook op. De voorzitter van de raad van bestuur van de Argonaut, Paul Willems, gaat praten met Hans Matthaei, lid van de raad van bestuur van Jeugdzorg Amsterdam. Er zijn nog zeven andere mensen bij, van de Riagg, van de Argonaut en van Jeugdzorg, en de uitkomst is dat het meisje voor zes weken naar de crisisopvang van de Argonaut kan. Dat is op 26 september 2003. Paul Willems en Hans Matthaei beloven Laura en Gerard van Straaten dat alles wat er met hun pleegdochter gebeurt in overleg met hen zal gaan. Laura en Gerard van Straaten hadden haar toen ze in Beter met Thuis zat niet eens mogen opzoeken. Toen ze dat na een paar weken wel weer mochten, zagen ze dat ze kilo's was aangekomen en dat haar kamer een bende was, met overal vieze en beschimmelde kleren.

Paul Willems zegt tegen deze krant dat instellingen bij kinderen zoals dit meisje – moeilijk te behandelen, nergens te plaatsen – de plicht hebben om bij elkaar te gaan zitten en te zeggen: iemand van ons moet het tóch gaan doen. En Hans Matthaei vindt dat Jeugdzorg die bijeenkomst dan moet organiseren. Hij zegt ook dat kinderen zoals dit meisje niet in een justitiële jeugdinrichting thuishoren, dat hij er alleen noodgedwongen aan meewerkt.

Geruzie en gesleep

En dan is het 10 november, vier dagen voordat de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten uit de Argonaut weg moet. Jeugdzorg heeft zonder dat de pleegouders het weten de kinderrechter om voorlopige toestemming voor een gesloten plaatsing gevraagd. Alle pogingen om haar in een orthopedagogische kliniek onder te brengen zijn op niets uitgelopen. Het meisje kan nu elk moment worden weggehaald en naar een justitiële jeugdinrichting worden gebracht. Op 10 november zegt de kinderrechter dat die toestemming blijft gelden totdat het rapport van de forensisch-psychiatrische dienst er is, op 25 november. Een kinder- en jeugdpsychiater accepteert de opdracht om in twee weken alle rapporten over het meisje te bestuderen, met haar te praten en te onderzoeken of het noodzakelijk is dat ze gesloten wordt geplaatst. Hij verontschuldigt zich in zijn rapport bij voorbaat: zo weinig tijd, zo veel ongeordend papier, het is bijna niet te doen. Maar hij doet het toch. Zijn oordeel – ja, gesloten plaatsing is noodzakelijk – wordt op de zitting van 25 november door de kinderrechter overgenomen.

Laura en Gerard van Straaten en de advocaten van het meisje proberen de kinderrechter er op de zitting nog van te overtuigen dat een kind van twaalf zonder strafblad niet in een justitiële jeugdinrichting hoort. Ze verwijzen naar het advies van de Riagg in Haarlem, dat het meisje in 2003 nog grondig heeft onderzocht: plaatsing in een `drie-milieu-setting'. Hetzelfde advies dat de psychiaters van de Argonaut hebben gegeven, alleen vinden die dat het meisje gesepareerd moet kunnen worden. De Riagg vindt dat onwenselijk. Laura en Gerard zeggen ook nog dat er nu toch een kliniek is die heeft aangeboden het meisje op te nemen. Maar het heeft geen zin meer. Het vonnis is al aan het begin van de zitting geveld. De kinderrechter waarschuwt de pleegouders: hij wil niet weer een verhaal in NRC Handelsblad lezen, en zeker niet over het rapport van de forensisch-psychiatrische dienst. Er moet rust komen voor het meisje, zegt hij. Het geruzie en het gesleep met haar moeten nu eindelijk eens ophouden.

De psychiater die het rapport opstelde zegt dat ook. Hij is kritisch over de manier waarop het meisje vanaf haar tweede door hulpverleners is behandeld. Hij schrijft over `discontinuïteit van zorg', over steeds nieuwe `ad-hoc beslissingen'. Er is `geen eenduidig beleid, geen rode lijn' uitgezet, ook niet nadat de diagnose was vastgesteld. Iedere psychiater kan volgens hem weten dat kinderen met zo'n stoornis consequent op hun gedrag moeten worden aangepakt, met grote continuïteit en `weinig emotionele aanspraak'. Met dit meisje is het tegenovergestelde gebeurd.

In de loop van de jaren, schrijft de psychiater, hebben zeer veel mensen zich bemoeid met het meisje. Hij begrijpt dat dit geleid heeft `tot een veelheid van meningen en opvattingen en daardoor ook miscommunicatie'. Maar dat maakt hem ook nu niet minder kritisch: de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van Jeugdzorg, `zorgtoewijzers' en behandelend psychiaters zijn onduidelijk. `Wie indiceert en beslist nu wat?'

Op 19 november praat hij ruim een uur met de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten, in De Doggershoek. Zijn eigen waarnemingen en de conclusies uit alle eerdere rapporten brengen hem tot de diagnose dat ze een `reactieve hechtingsstoornis door vroege, ernstige verwaarlozing' heeft. Hij stelt ook vast dat het meisje `borderline' problemen aan het ontwikkelen is. Die problemen, schrijft hij, verklaren voor een deel de voortdurende onenigheid tussen de betrokkenen over de beste aanpak van het meisje. Ze gedraagt zich in iedere situatie weer anders.

Het belangrijkste is nu, schrijft de psychiater, vast te stellen wat `de bedreiging van de ontwikkeling' van het meisje kan doen verminderen. Volgens hem is dat `een duidelijke gedragsmatige bejegening met straffen en belonen'. En dat moet, zegt hij, om te beginnen in een `gesloten internaat', omdat de reactie van het meisje door haar problemen heftig zal zijn. Hij raadt aan om veel aandacht te besteden aan scholing en aan sport – ze houdt ervan en het geeft haar gevoel van eigenwaarde. En dan geeft hij nog een ander argument om het meisje gesloten te plaatsen: open plaatsing is niet mogelijk gebleken. Hij ziet niets in de zoveelste `ad-hoc beslissing'. Hij schrijft dat het `niet gaat om de beste maar om de minst slechte oplossing'.

Coke snuiven

Op woensdag 26 november wordt de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten dertien. Ze mag voor haar verjaardag twee uur bezoek ontvangen, in een kamer apart. Er is een bewaker bij, hij haalt bekertjes koffie en chocola uit de automaat op de gang.

De twee juffen van de school in Haarlem zijn er, Gerard van Straaten is er ook. Hij heeft een tas met cadeautjes bij zich en een mokkacake. Hij heeft hem thuis al in plakken gesneden, er mogen geen messen mee naar binnen. De cadeautjes – een puzzel, een boek, laarzen, een T-shirt – gaan door een röntgenapparaat. Ze moeten na afloop ingeleverd worden, voor nog een controle.

De juffen hebben ook cadeautjes meegebracht, en stapels ansichtkaarten van kinderen uit de klas. Ze vertellen hoe het op school gaat en dat de kinderen haar missen. Het meisje leest alle kaarten hardop voor. Daarna gaat ze op het postpapier dat ze heeft gekregen terugschrijven. Ondertussen vertelt ze dat ze niet naar school gaat, dat ze ook niet buiten komt. Alleen af en toe in een kooi, zegt ze. Ze vertelt dat ze nu meisjes kent die een moord hebben gepleegd en dat ze weet hoe je coke moet snuiven. Ze doet het voor, ze lacht.

Een paar weken zou de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten in De Doggershoek blijven. Daarom wordt er niets met haar gedaan, ze gaat toch weer weg. Maar nu is het half januari en ze is er nog steeds. Gisteren, 16 januari, heeft Jeugdzorg de pleegouders laten weten dat het zo blijft. Het meisje gaat waarschijnlijk naar een van de behandelafdelingen van De Doggershoek – als er een plaats vrijkomt. Laura en Gerard van Straaten begrijpen het niet, ze zien hun pleegdochter steeds dikker, eenzamer en banger worden. En ze weten dat er een plaats voor haar is op de orthopedagogische afdeling van de jeugdkliniek RMPI in Rotterdam. De psychiater daar kent het meisje goed, hij denkt dat er met haar afspraken over haar gedrag te maken zijn. Maar Jeugdzorg wil het niet. Het meisje blijft opgesloten zolang Jeugdzorg het nodig vindt.

Het D66-Kamerlid Ursie Lambrechts dacht aan Oliver Twist, zegt ze, toen ze deze week hoorde dat de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten in De Doggershoek moet blijven. Ze vindt het ongelooflijk, een kind dat wordt opgesloten zonder dat ze iets strafbaars heeft gedaan en zonder te weten voor hoe lang. Ze vindt het nog ongelooflijker dat een kind dan net zo wordt aangepakt als kinderen die wel crimineel zijn. Ursie Lambrechts heeft gistermiddag opnieuw vragen gesteld aan staatssecretaris Ross-Van Dorp en minister Donner. Ze wil weten wat de rechten zijn van een kind dat civielrechtelijk in een justitiële jeugdinrichting is geplaatst. Ze wil ook weten of een kinderrechter een principieel oordeel over een gesloten plaatsing mag uitspreken, alleen maar omdat er te weinig andere plaatsen zijn. En hoeveel kinderen gaan er weer uit een justitiële jeugdinrichting als er plaats is in een orthopedagogische of psychiatrische kliniek?

Kinderen mógen worden opgesloten als de kinderrechter daarvoor toestemming heeft gegeven. Maar het móet niet. Ze kunnen zo weer weg. Maar het gebeurt niet, zegt Ursie Lambrechts. Dat vindt ze misschien nog wel het ergst aan het verhaal van de pleegdochter van Laura en Gerard van Straaten. Dat kinderen niet meer uit `de fuik van Justitie' komen als ze er eenmaal in zitten. En dat Jeugdzorg ze erin duwt. Jeugdzorg, zegt ze, is blijkbaar godalmachtig.