De idee van een Amerikaans imperium zal als een zeepbel uit elkaar spatten

Als president Bush zegt dat de vrijheid zal overwinnen, bedoelt hij dat Amerika zal overwinnen. Maar in een vrije en open maatschappij horen mensen zelf te beslissen wat ze onder vrijheid en democratie verstaan en niet slaafs Amerika te volgen. Over de enorme kloof tussen de Verenigde Staten en de rest van de wereld.

Iedereen is het erover eens dat 11 september 2001 de loop van de geschiedenis heeft veranderd. Maar we moeten ons wel afvragen waarom dit dan zo is. Hoe kon één enkele gebeurtenis, ook al vielen daarbij 3.000 burgerslachtoffers, zulke vergaande gevolgen hebben? Het antwoord schuilt niet zozeer in de gebeurtenis zelf als wel in de manier waarop de Verenigde Staten er onder leiding van president George W. Bush op hebben gereageerd.

Op zichzelf was de aanslag natuurlijk al een historische terreurdaad. De kaping van volgetankte passagiersvliegtuigen en hun gebruik als zelfmoordbom was een vermetele gedachte, en opzienbarender had de uitvoering ervan niet kunnen zijn. De verwoesting van de Twin Towers van het Wereldhandelscentrum was een symbolisch signaal dat de hele wereld over ging en doordat mensen de gebeurtenis op hun televisie konden zien, kreeg deze een emotionele uitwerking zoals een terreurdaad nog nooit heeft gehad. Het doel van terreur is om angst aan te jagen, en de aanslag van 11 september voldeed geheel aan deze doelstelling.

Toch zou 11 september niet in deze mate de loop van de geschiedenis hebben veranderd als president Bush anders had gereageerd. Hij verklaarde het terrorisme de oorlog en voerde vervolgens een radicale buitenlandse politiek met achterliggende beginselen die al van voor de tragedie dateerden. Die beginselen zijn als volgt samen te vatten: internationale betrekkingen zijn een kwestie van macht, niet van recht; de macht is bepalend en het recht wettigt de machtsverhoudingen. In de wereld na de Koude Oorlog zijn de Verenigde Staten onmiskenbaar de overheersende macht en dus in staat hun opvattingen, belangen en waarden dwingend op te leggen. De wereld zou er goed aan doen die waarden over te nemen, want het Amerikaanse model heeft zijn superioriteit bewezen. De regeringen van Clinton en Bush senior hebben verzuimd de Amerikaanse macht ten volle te benutten. Dit dient te worden rechtgezet; de Verenigde Staten moeten een manier vinden om hun suprematie in de wereld te doen gelden.

Deze buitenlandse politiek maakt deel uit van een ideologie die meestal wordt aangeduid als neoconservatisme, al spreek ik liever van een ruwe vorm van sociaal darwinisme. Ruw omdat het in de survival of the fittest voorbijgaat aan het belang van samenwerking en de nadruk uitsluitend legt op concurrentie. Op economisch terrein gaat het om concurrentie tussen bedrijven; in de internationale betrekkingen tussen landen. Op economisch terrein neemt het sociaal darwinisme de vorm aan van marktfundamentalisme; in de internationale betrekkingen leidt het op het ogenblik tot een streven naar Amerikaanse suprematie.

Niet alle leden van de regering-Bush onderschrijven deze ideologie, maar de neoconservatieven vormen daarbinnen wel een invloedrijke groep. Zij riepen al in 1998 openlijk op tot een inval in Irak. Hun denkbeelden stammen uit de Koude Oorlog en werden na de Koude Oorlog verder uitgewerkt. Vóór 11 september 2001 werden deze ideologen in de uitvoering van hun strategie door twee overwegingen gehinderd: George W. Bush had geen duidelijk mandaat (hij is president geworden dankzij één stem in het Hooggerechtshof) en Amerika had geen duidelijk omlijnde vijand die een drastische verhoging van de militaire uitgaven zou hebben gerechtvaardigd.

Met 11 september 2001 verdwenen beide hindernissen. President Bush verklaarde het terrorisme de oorlog en het volk schaarde zich achter zijn president. Hierdoor kon de regering-Bush de terreuraanslagen ten eigen bate aanwenden. Ze voedde de angst waardoor het land was gegrepen, om het volk als één man achter de president te houden en gebruikte de oorlog tegen het terrorisme om de Amerikaanse suprematie gestalte te geven. In die zin heeft 11 september 2001 de loop van de geschiedenis veranderd.

Het is niet meer dan natuurlijk dat politici gebeurtenissen zo benutten of manipuleren dat hun politiek ermee is gediend. Het zorgelijke schuilt in de politiek die Bush voorstaat en in de wijze waarop hij die aan de Verenigde Staten en de rest van wereld probeert op te leggen. Hij voert ons in een heel gevaarlijke richting.

De suprematistische ideologie van de regering-Bush strookt niet met de beginselen van een open maatschappij, die erkennen dat mensen verschillende opvattingen hebben en dat niemand de wijsheid in pacht heeft. Deze ideologie stelt dat alleen omdat wij sterker zijn dan anderen, wij alles beter weten en het recht aan onze kant hebben. De allereerste zin van de Nationale Veiligheidsstrategie van september 2002 (waarin de president jaarlijks de veiligheidsdoelstellingen van het land aan het Congres voorlegt) luidt: ,,De grote worstelingen van de twintigste eeuw tussen vrijheid en totalitarisme eindigden met een beslissende overwinning voor de krachten van de vrijheid – en met één duurzaam model voor nationaal succes: vrijheid, democratie en vrij ondernemerschap.'

De veronderstellingen achter deze bewering zijn op twee punten onjuist. Ten eerste is er niet één duurzaam model voor nationaal succes. Ten tweede is het Amerikaanse model, dat inderdaad succesvol is geweest, voor anderen niet beschikbaar, omdat het succes ervan sterk afhangt van onze machtspositie in het centrum van het mondiale kapitalistische stelsel en wij niet bereid zijn die op te geven.

De doctrine van Bush, voor het eerst uiteengezet in een presidentiële toespraak op de militaire academie van West Point in juni 2002 en drie maanden later opgenomen in de Nationale Veiligheidsstrategie, berust op twee pijlers: de Verenigde Staten zullen alles doen wat in hun vermogen ligt om hun onbetwiste militaire overmacht te handhaven en de Verenigde Staten behouden zich het recht voor om preventief op te treden. In feite vestigt de doctrine twee klassen van soevereiniteit: de soevereiniteit van de Verenigde Staten, die boven internationale verdragen en verplichtingen gaat; en de soevereiniteit van alle andere landen, die ondergeschikt is aan de wil van de Verenigde Staten. Dit doet denken aan Animal Farm van George Orwell: alle dieren zijn gelijk, maar sommige dieren zijn meer gelijk dan anderen.

Zo grimmig wordt de doctrine van Bush uiteraard niet verwoord; ze wordt verhuld in doublespeak. Deze is nodig wegens de tegenstrijdigheid tussen het begrip vrijheid en democratie bij de regering-Bush en de daadwerkelijke principes en vereisten van vrijheid en democratie. In de Nationale Veiligheidsstrategie staan grote woorden over de verbreiding van de democratie. Maar als president Bush zegt dat de vrijheid zal overwinnen, zoals hij zo vaak doet, bedoelt hij dat Amerika zal overwinnen. In een vrije en open maatschappij horen mensen zelf te beslissen wat ze onder vrijheid en democratie verstaan en niet slaafs Amerika te volgen. De tegenstrijdigheid blijkt vooral in het geval van Irak, en dan met name in de bezetting van Irak. Wij kwamen als de bevrijders die vrijheid en democratie brachten, maar zo worden we door een groot deel van de bevolking niet gezien.

Het paradoxale is dat de regering van de meest succesvolle open maatschappij ter wereld in handen is gevallen van mensen die de eerste beginselen van de open maatschappij negeren. In eigen land heeft minister John Ashcroft van Justitie de oorlog tegen het terrorisme gebruikt om de burgerlijke vrijheden te beknotten. In het buitenland proberen de Verenigde Staten hun opvattingen en belangen door te drukken met behulp van militair geweld. De inval in Irak was de eerste praktische toepassing van de doctrine van Bush en die heeft averechts gewerkt. Er heeft zich een gapende kloof geopend tussen Amerika en de rest van de wereld. Een grote meerderheid over de hele wereld was tegen de oorlog met Irak.

Elf september 2001 heeft tot een breuk in de Amerikaanse buitenlandse politiek geleid. Schendingen van Amerikaanse gedragsregels die normaal als laakbaar worden beschouwd, werden onder de nieuwe omstandigheden juist geaccepteerd. Het abnormale, het radicale en het extreme zijn als normaal geherdefinieerd. Om het belang van deze overgang te schetsen, wil ik putten uit mijn ervaring op de financiële markten. Op de effectenbeurzen ontstaat vaak een conjunctuurbeweging in de vorm van een zeepbel. Zeepbellen komen niet zomaar uit de lucht vallen. Ze hebben een basis in de werkelijkheid – zij het dat die werkelijkheid door een misvatting wordt vervormd. Onder normale omstandigheden corrigeren misvattingen zichzelf en bereiken de markten meestal een soort evenwicht. Maar soms wordt een misvatting versterkt door een heersende tendens in de werkelijkheid en op dat moment komt er een conjunctuurbeweging op gang. Uiteindelijk wordt de kloof tussen de werkelijkheid en haar onjuiste interpretatie onhoudbaar en spat de zeepbel uit elkaar.

Op welk moment de conjunctuurbeweging precies te ver uit haar evenwicht raakt, kan alleen achteraf worden vastgesteld. Tijdens de zelfversterkende fase zijn de deelnemers in de ban van het heersende vooroordeel. De gebeurtenissen lijken hun overtuiging te bevestigen en versterken zo hun misvattingen. Dit verbreedt de kloof en bereidt de weg voor een moment van de waarheid en een uiteindelijke ommekeer. Als die ommekeer komt, heeft hij meestal verwoestende gevolgen. Deze gang van zaken lijkt iets onverbiddelijks te hebben, maar een conjunctuurbeweging kan in elk stadium worden gestuit en de ongunstige gevolgen kunnen verminderd of zelfs geheel vermeden worden. Maar weinig zeepbellen bereiken de uitersten van de IT-hoogconjunctuur die eindigde in 2000. Hoe sneller de beweging wordt gestuit, hoe beter het is.

Het streven naar Amerikaanse suprematie heeft de kenmerken van een zeepbel. De machtspositie die de Verenigde Staten in de wereld innemen is het element van de vervormde werkelijkheid. De veronderstelling dat de Verenigde Staten beter af zullen zijn als ze hun positie gebruiken om overal hun waarden en belangen op te leggen, is de misvatting. Amerika heeft zijn huidige positie nu juist verworven door zijn macht níét te misbruiken.

Waar bevinden we ons in deze conjunctuurbeweging? De verslechterende toestand in Irak is ofwel het moment van de waarheid, ofwel een beproeving die, als ze met succes wordt overwonnen, de tendens alleen maar zal versterken. Hoe gerechtvaardigd de afzetting van Saddam Hussein ook mag zijn, het staat buiten kijf dat wij Irak met valse voorwendselen zijn binnengevallen. Bewust of onbewust heeft president Bush het Amerikaanse volk en het Congres misleid en onze bondgenoten gebruuskeerd. De kloof tussen de verwachtingen van de regering en de feitelijke stand van zaken zou niet breder kunnen zijn. In het jongste verleden is bijna geen militaire operatie te bedenken die zo is misgegaan. Onze soldaten doen noodgedwongen politietaken in gevechtsuitrusting en ze blijven sneuvelen. De kosten van de bezetting en het vooruitzicht van een blijvende oorlog wegen zwaar op onze economie en we verzuimen tal van etterende problemen aan te pakken – in binnen- en buitenland. Mochten we ooit behoefte hebben gehad aan een bewijs dat de droom van een Amerikaanse suprematie een misvatting was, dan heeft de bezetting van Irak dat bewijs geleverd. Als we deze aanwijzing niet ter harte nemen, zullen we in de toekomst nog een zwaardere prijs moeten betalen.

Voornamelijk als gevolg van onze gerichtheid op suprematie is er intussen iets fundamenteel misgegaan met de oorlog tegen het terrorisme. Oorlog is in dit kader ook een valse metafoor. Terroristen vormen inderdaad een bedreiging voor onze nationale en persoonlijke veiligheid en we moeten onszelf beschermen. Tal van de maatregelen die we hebben genomen zijn noodzakelijk en terecht. Er kan zelfs worden gesteld dat er niet genoeg is gedaan om toekomstige aanslagen te voorkomen. Maar de oorlog die wordt gevoerd, heeft weinig te maken met beëindiging van het terrorisme of met verbetering van de binnenlandse veiligheid; integendeel, die oorlog bedreigt onze veiligheid door een vicieuze cirkel van toenemend geweld teweeg te brengen.

De terreuraanslag op de Verenigde Staten had, in plaats van als een oorlogsdaad, ook behandeld kunnen worden als een misdaad tegen de menselijkheid. Dat zou toepasselijker zijn geweest. Misdaden vergen politiewerk, geen militair optreden. Stel u even voor dat 11 september als een misdaad zou zijn behandeld. Dan zouden we Irak niet binnengevallen zijn en hadden we ons leger niet als schietschijf laten dienen.

Maar een oorlogsverklaring aan het terrorisme kwam de regering-Bush beter uit, omdat die een beroep deed op militaire macht. Dat is echter de verkeerde aanpak van het probleem. Militair optreden vereist een welomlijnd doelwit, bij voorkeur een land. Daardoor is de oorlog tegen het terrorisme hoofdzakelijk gericht tegen landen die terroristen herbergen. Maar terroristen handelen per definitie niet namens staten, ook al worden ze vaak door staten gesteund.

De oorlog tegen het terrorisme zoals de regering-Bush die voert, is niet te winnen. Integendeel, hij zou wel eens tot een blijvende staat van oorlog kunnen leiden. Terroristen zullen er altijd blijven. Ze zullen een voorwendsel blijven vormen voor het streven naar Amerikaanse suprematie. Dat streven zal op zijn beurt weer verzet oproepen. Verder zullen we, door de jacht op terroristen in een oorlog om te zetten, onherroepelijk onschuldige slachtoffers maken. Hoe meer onschuldige slachtoffers, hoe groter de wrok en hoe meer kans dat sommige slachtoffers in daders veranderen.

Het machtigste land op aarde kan zich niet veroorloven om te worden verteerd door angst. Door de oorlog tegen het terrorisme tot middelpunt van onze nationale strategie te maken, gaan we voorbij aan onze verantwoordelijkheid als belangrijkste land ter wereld. Door het terrorisme onze voornaamste zorg te laten worden, spelen we bovendien de terroristen in de kaart. Zíj bepalen onze prioriteiten.

In zijn jongste publicatie schetst de Raad voor Buitenlandse Betrekkingen drie alternatieve nationale-veiligheidsstrategieën. De eerste behelst het streven naar Amerikaanse suprematie met behulp van Bush' doctrine van het preventieve (pre-emptive) militaire optreden. Die wordt bepleit door de neoconservatieven. De tweede streeft naar een voortzetting van onze vroegere politiek van afschrikking en indamming. Die wordt bepleit door Colin Powell en andere gematigden, die tot beide politieke partijen kunnen behoren. Bij de derde zou Amerika voorop gaan in een gezamenlijke poging om de wereld te verbeteren door preventief optreden van opbouwende aard. Die wordt niet bepleit door enige groepering van belang, zij het dat president Bush er lippendienst aan bewijst. Dat is de politiek die ik voorsta.

Alles wijst erop dat de eerste mogelijkheid uiterst gevaarlijk is en de tweede is volgens mij niet meer praktisch. De regering-Bush heeft ons aanzien in de wereld te zeer geschaad om nog tot de status quo te kunnen terugkeren. Bovendien was het beleid dat werd gevoerd vóór 11 september 2001 duidelijk ontoereikend om de problemen van de mondialisering op te lossen. Die problemen vergen gezamenlijk optreden. De Verenigde Staten zijn bij uitstek in de positie om hierin voorop te gaan. We kunnen niet alles doen wat we willen – zoals de toestand in Irak aantoont – maar internationale samenwerking is eigenlijk alleen maar mogelijk onder leiding – of in elk geval met medewerking – van de Verenigde Staten.

Door de mondialisering is de wereld steeds meer onderling afhankelijk geworden, maar de internationale politiek berust nog altijd op de soevereiniteit van landen. Wat er binnen individuele landen gebeurt, kan voor de rest van de wereld van levensbelang zijn, maar het beginsel van de soevereiniteit verzet zich tegen inmenging in hun binnenlandse aangelegenheden.

Hoe om te gaan met failliete staten en onderdrukkende, corrupte en onbekwame regimes? Hoe af te komen van Saddam en consorten? Er zijn te veel van zulke regimes om tegen allemaal een oorlog te beginnen. Dat is het grote, onopgeloste vraagstuk waar we vandaag de dag voor staan.

Ik stel voor Bush' doctrine van het preventieve militaire optreden te vervangen door preventief optreden van opbouwende en positieve aard. Verhoogde buitenlandse hulp bijvoorbeeld – of beter nog: eerlijker handelsbepalingen – zou de soevereiniteit van de ontvangers ongeschonden laten. Militair optreden zou een laatste redmiddel moeten blijven. De Verenigde Staten worden op het ogenblik helemaal – en terecht – in beslag genomen door veiligheidskwesties. Maar het kader waarin over veiligheid moet worden nagedacht is collectieve veiligheid. De verspreiding van kernwapens en het internationale terrorisme kunnen geen van beide met succes worden aangepakt zonder internationale samenwerking.

De wereld rekent erop dat wij de leiding nemen. Dat hebben we in het verleden ook gedaan. De hoofdreden van de sterke anti-Amerikaanse gevoelens in de wereld van vandaag is dat we op het ogenblik geen leiding geven.

©Atlantic Monthly

Meesterbelegger George Soros is miljardair en filantroop. Hij is voorzitter van het Open Society Institute en heeft, in het kader van zijn strijd tegen de herverkiezing van president Bush, 12,5 miljoen dollar bijgedragen aan politieke burger-initiatieven. Dit artikel is gebaseerd op zijn zojuist verschenen boek `The Bubble of American Supremacy'.

Gerectificeerd

Bij het artikel De idee van een Amerikaans imperium zal als een zeepbel uiteenspatten van George Soros (17 januari, pagina 15)) stond vermeld dat het copyright berust bij Atlantic Monthly. Dat is onjuist. De rechten voor de Nederlandse vertaling liggen bij Uitgeverij Contact. Het artikel is gebaseerd op het boek `De zeepbel van de Amerikaanse macht', dat volgende week verschijnt bij Contact.