Dat wat woorden niet zeggen

Nachtbrigade in Mérida, Mexico, 1995. We woonden daar dat jaar omdat M. werk had gevonden in een lokaal project voor straatkinderen. Het project bood onderwijs aan, maar ook voorlichting op het gebied van gezinsplanning. We kregen veel vrolijke reacties toen we aan het eind van het jaar zelf - per ongeluk - zwanger terugkeerden naar Nederland. Gezinsplanning. Los van de humor van de situatie besefte ik heel goed dat wij het ons gewoon konden veroorloven om een dergelijk 'foutje' te maken, terwijl de kinderen op wie het project zich richtte elke kans op vooruitgang verspeelden als ze hetzelfde overkwam. Zwanger raken betekende kiezen voor een volgende generatie straatkinderen.

Doel van de nachtbrigade was het oppikken en thuisbrengen van kinderen die 's nachts kauwgum en bloemen verkochten aan het uitgaanspubliek. Deze kwamen meestal niet uit de stad maar uit de omliggende dorpen, en spraken beter Maya dan Spaans. Nu was de kennis over de buitenwereld van de gemiddelde Mexicaan ons al tegengevallen (,,dus in Spanje praten ze ook Spaans; wie had dat kunnen denken!''), maar deze achterstandskinderen spanden – natuurlijk – de kroon. M. haalde op een nacht een ruziënde broer en zus van de straat. Ze vroeg aan de oudste, het meisje van tien, wat er aan de hand was. Ze kreeg een woordelijk verslag van de ruzie terug, geheel in Maya, met alleen verduidelijkende zinnetjes (,,en toen zei hij''; ,,dus ik zeg'') in het Spaans.

Het werd een leerzame avond voor beide partijen. Het meisje keek er van op dat men in ons land geen Engels spreekt. Kennelijk stopte haar besef van Het Buitenland bij de Verenigde Staten. Vervolgens vroeg ze tot wel drie keer toe of M.'s vader en moeder Spaans praatten. ,,Echt niet? Dus je ouders spreken geen woord Spaans? Zonder dollen?'' Waarom was het voor haar zo moeilijk om aan te nemen dat we in Europa behalve Spaans nog wel 20 andere talen spreken? Plotseling drong het door dat dit meisje maar twee categorieën mensen kende: zij die zich dankzij hun kennis van het Spaans kunnen ontwikkelen en zo een betere toekomst kunnen krijgen, en zij die gedoemd zijn in hun achterlijke dorp te blijven hangen omdat ze alleen de lokale indianentaal beheersen. En ze wilde niet geloven dat M. de dochter van een boerenpummel is, die alleen maar zijn lokale boerenpummeltaaltje spreekt.

Maar taal kan tot nog grotere verwarring leiden in de ontwikkelingshulp. Edith Sizoo schreef een boek over de problemen die vertalers kunnen hebben bij het overbruggen van culturele verschillen. Zij organiseerde een paar jaar geleden een conferentie van vertalers, waarvan dit boek `ce que les mots ne disent pas' het resultaat is.

Een van de verhalen in het boek gaat over een dorpje in Kameroen. Een westerse organisatie had besloten zich te gaan inzetten voor de ontwikkeling van dit dorp. Er werd gekozen voor een aanpak waarin de dorpelingen het initiatief kregen: zij moesten bepalen waar het aan schortte, vervolgens een project verzinnen om dit probleem uit de wereld te helpen. Pas als zij een serieuze planning hadden gemaakt, zouden ze geld van de westerlingen krijgen om het te realiseren.

Klinkt goed, maar de taal van deze mensen kende geen woorden voor de hier cruciale begrippen `ontwikkeling', `project' en `planning'. De vertaler kon dus niet vertalen, maar moest uitleggen, en dat leverde problemen op.

`Ontwikkeling' betekent dat je je omgeving anders gaat maken. Voor ons is het streven naar verandering een heel normale zaak; voor deze mensen in Kameroen echter was het doorbreken van de bestaande orde iets wat je het beste kunt uitdrukken met `rotzooi trappen'. Dan het woord `project'. Daar deden ze zelf niet aan, dat begrip kenden ze alleen in de context van ontwikkelingshulp, met als betekenis `manier om geld te vragen aan buitenlanders'. Het mooist is de vertaling van `een planning maken'. Een planning is iets wat er nog niet is, en het is kennelijk mooier dan wat er nu is. Dus, concludeerde de dorpsbevolking, het is een droom, om precies te zijn `de droom van de blanke'. Maar wat droomt hij nou precies?

De instructies van de ontwikkelingswerkers kwamen dus hier op neer: je moet rotzooi trappen om geld te vragen aan de Europeanen door de droom van de blanke te raden.

In den beginne was het woord. Het westerse idee dat iedereen op vooruitgang zit te wachten, wordt hier als arrogant ontmaskerd. Terwijl ik toch van mening blijf dat `wij' de wereld wat te bieden hebben.

Het lijkt me duidelijk dat de Amerikanen in Afghanistan en Irak een hoop rotzooi getrapt hebben. En ik kan niets beters verzinnen dan te hopen dat het ze lukt de American Dream te verkopen.