Banenjagen voor het vaderland

Werken in Brussel doe je voor de gemeenschap, de Europese gemeenschap. Dat was de Europese droom. Toch proberen veel regeringen greep te krijgen op de benoeming van mensen uit hun eigen land bij de Europese Commissie. Nederland deed daar nooit aan mee. Maar dat verandert nu. `We zitten op de verkeerde plekken.'

In oktober rinkelde de telefoon van een hoge Nederlandse ambtenaar bij de Europese Commissie. Peter Kok aan de lijn, een Haagse ambtenaar die sinds anderhalf jaar tussen Den Haag en Brussel pendelt als `coördinator plaatsingen Nederlanders bij EU-instellingen'. Volgens de ambtenaar verliep het gesprek ongeveer zo:

,,Dag Peter, hoe gaat het?'

,,Prima, heel goed. En jij, waar ben je mee bezig?'

Daarna volgden wat uitwisselingen die de Commissieambtenaar niet in de krant wil hebben, omdat zo onthuld kan worden wie hij is. Toen kwam Kok ter zake. Hij wilde het hebben over Eurostat, het bureau voor de Statistiek van de Europese Unie in Luxemburg, dat zwaar onder vuur ligt wegens vermeende malversaties.

,,Je weet dat er binnenkort zeven vacatures worden gepubliceerd bij Eurostat. Directeursposten. Het zou goed zijn als we daar een Nederlander benoemd krijgen. Zou jij je contacten willen aanboren?'

Dit relaas biedt een aardig inkijkje in de werkzaamheden van Peter Kok in Brussel. Én het toont aan dat er een nieuw hoofdstuk is aangebroken in het `Brussel-beleid' van de Nederlandse regering. Voordat Kok in april 2002 werd benoemd, moest je als Nederlander bij de Commissie je loopbaan zelf plannen. ,,Je mocht nog stemmen in Nederland', zegt iemand die er al twintig jaar werkt, ,,maar verder verdween je voor Den Haag buiten beeld.' Zo hield Nederland zich aan het credo dat je, als je voor Europa werkt, ook loyaal bent aan Europa en niet aan het land waar je vandaan komt. Maar andere landen, zoals Groot-Brittannië, Spanje en Frankrijk, vatten de Europese droom nooit zo letterlijk op. Ze bemoeien zich al jaren met de loopbaanplanning van hun landgenoten. Ze trainen ze, tippen ze over vacatures en pushen ze, soms met brute kracht. Ook Romano Prodi, de voorzitter van de Europese Commissie, lobbyt af en toe schaamteloos voor Italianen. Nederland sloeg zelden met de vuist op tafel. De ene Nederlander hielp de andere wel vooruit, maar Den Haag hield zich meestal afzijdig. Die ingetogenheid bezorgde Nederland een goede naam in Brussel, maar Nederlanders zelf klaagden er steen en been over. ,,Je kunt zeggen: we hebben met Nederland niets te maken', zegt één hunner. ,,Maar als je drie keer voor een baan bent gepasseerd door een Spanjaard die dekking had van hogerhand heeft het weinig zin om roomser te zijn dan de paus.'

Inmiddels haalt de Nederlandse regering de banden met Nederlanders in Brussel systematisch aan. Zo neemt Peter Kok alle Nederlandse Commissiedirecteuren mee naar Den Haag om topambtenaren te ontmoeten en de premier een hand te geven. Ook belt hij rustig een Nederlander in het kabinet van een eurocommissaris: ,,Er zit op die-en-die afdeling een Nederlander die niet gelukkig is. Kun jij daar iets aan doen?' Hij regelt voor Nederlanders bij de Commissie en de Permanente Vertegenwoordiging (ook wel `PV' genoemd: de Nederlandse ambassade bij de Europese Unie) die iets met Justitie en Binnenlandse Zaken doen een etentje met de nieuwe directeur-generaal op het Haagse ministerie van Justitie. En vooral: hij probeert mensen uit Nederland op hoge posten bij de Commissie te krijgen, of Nederlanders die daar al werken te pushen voor een baan die voor Nederland belangrijk is.

Kok, die van het Haagse ministerie van Verkeer en Waterstaat komt, zat ooit als tijdelijk ambtenaar bij de Commissie en later als transport- en telecomdeskundige op de PV. Hij weet hoe het in Brussel werkt. Eén van de redenen voor zijn benoeming was, volgens een beleidsnotitie voor de ministerraad in januari 2002: ,,De toekomstige uitbreiding van de Unie zal tot gevolg hebben dat het relatieve aandeel van Nederlanders (...) zal afnemen. In dit verband zijn plaatsingen van Nederlanders op strategische functies binnen de Commissie van groot belang.'

Wat de 45-jarige Kok precies uitvoert wil hij niet kwijt. Als je hem op borrels of etentjes – onmisbare venues voor een netwerker – tegen het lijf loopt, is hij even aanspreekbaar als zijn jongensachtige uiterlijk doet vermoeden. Maar over zijn lobbywerk laat hij niets los: hoe meer er in de pers staat, hoe meer dat zijn werk belemmert. Staatssecretaris voor Europese Zaken Atzo Nicolaï is wel tot een gesprek bereid. Maar ook hij is zeer terughoudend: ,,Het is effectiever als je niet te veel zegt over de werkzaamheden van Kok. Dan keert het zich juist tégen waar we mee bezig zijn.'

Vriendjespolitiek

Negentien hooggeplaatste Nederlanders bij de Commissie werkten aan dit artikel mee. Maar alleen off the record. Lobbyen voor landgenoten ligt uiterst gevoelig. Alle 16.777 mensen die in oktober 2003 vast bij de Commissie werkten (een nieuwe telling komt later deze maand) worden geacht loyaal te zijn aan 'Brussel'. Dat geldt ook voor de 576 Nederlanders onder hen – of 760, als je de tijdelijke contracten meetelt. Als een eurocommissaris probeert ergens een landgenoot benoemd te krijgen, beticht men hem van vriendjespolitiek. Als er een functie vrij is, wordt er officieel geselecteerd op basis van de competentie van de kandidaten, niet op grond van hun paspoort. ,,Nationaliteit speelt geen rol', zegt Eric Mamer, de Franse woordvoerder van de Britse eurocommissaris Neil Kinnock, die bezig is om de procedures voor het personeelsbeleid transparanter te maken dan ze ooit waren. ,,Het enige dat je kunt zeggen is dat er uiteindelijk een zekere balans moet zijn.'

Maar juist die balans is cruciaal. Een Nederlander bij de Commissie legt uit: ,,Stel dat ik directeur wil worden op het directoraat-generaal Milieu, en ik zie dat er op dat DG al twee Nederlandse directeuren zijn, dan kan ik het schudden.' En in het hypothetische geval dat er geen hooggeplaatste Nederlanders bij het DG Begroting werken maar wel veel Italianen, heeft een Nederlander meer kans dan een Italiaan.

Als nationaliteit geen rol zou spelen, zouden er vooral Belgen bij de Commissie werken. Zij hoeven er immers niet voor naar een ander land te verhuizen. Veel secretaresses en chauffeurs zijn Belgen – of nazaten van Italianen die als mijnwerkers decennia geleden naar België trokken, en nog steeds niet de Belgische nationaliteit hebben. Van alle deelnemers aan het roemruchte `concours', het zware toelatingsexamen waar je voor moet slagen om vast bij de Commissie te kunnen werken (behalve in de twee allerhoogste schalen), komen de meesten uit België. Onder de drie procent die voor het concours slaagt zitten relatief veel Belgen. Ze zijn op vrijwel alle niveaus oververtegenwoordigd.

Maar bij de Commissie worden besluiten genomen die alle vijftien lidstaten aangaan. Een Nederlander kan Den Haag tippen over debatten die op gang komen, wetgeving die eraan komt of andere `weetjes' die er voor Nederland toe doen. Visquota, een onderzoek naar een overname van het ene bedrijf door het andere, of de indruk die een eurocommissaris had van een gesprek met een Nederlandse minister. Als een Commissieambtenaar op zijn beurt weet wat er in Nederland speelt, kan hij dat inbrengen in zijn dagelijkse werk. ,,Nederland gaat daar te besmuikt mee om', vindt staatssecretaris Nicolaï. ,,Het zou taboe zijn. Maar wat is er mis mee, om vaker te zeggen: `Jongens, hoe zit dat in Nederland' of `Waar ben jij mee bezig'? Andere landen doen het ook. Zolang je geen nationale belangen loopt uit te venten, vind ik meer informatie-uitwisseling niet vies.'

Om de balans in het oog te houden, houdt de Commissie lijstjes bij van alle functionarissen op de pay roll. Dat gaat per salarisschaal. Daarop staat welk land hoeveel directeuren-generaal (A1's) heeft, en directeuren (A2's), en zo verder, en in welk DG ze zitten. Of de verdeling eerlijk is, valt te berekenen op grond van het aantal inwoners van het land en de financiële bijdrage aan de EU. Zo heeft Nederland `recht' op drie tot vier A1-functies. Vier zijn het er nu: het hoofd van de Commissiedelegatie in Genève (Carlo Trojan) en de directeuren-generaal bij Landbouw (Alexander Tilgenkamp), Ontwikkeling (Koos Richelle) en de Interne Audit-dienst (Jules Muis). Nederland doet het dus goed.Waar heeft Den Haag dan een lobbyist voor nodig?

,,Ha!', reageert een Nederlander. ,,Ze bezetten geen van vieren strategische posten! Zolang zij daar zitten, heeft Nederland weinig kans op een directeur-generaal op Begroting of Financiën.' A1's en A2's hoeven geen concours te doen, zij kunnen van buiten worden aangetrokken op voorwaarde dat er `binnen' geen goede kandidaat beschikbaar is. Neem Muis, vroeger werkzaam bij de Wereldbank. Hij werd buiten Nederland om binnengehaald door eurocommissaris Kinnock. Richelle werd zelfs tegengewerkt door Nederland, dat liever een A1 elders wilde. Maar omdat de Deense eurocommissaris Poul Nielson hem per se wilde en Nederland geen andere kansen zag, werd hij toch benoemd.

Tilgenkamp heeft zich erover beklaagd dat Nederland de andere kant opkeek toen hij twee jaar geleden werd gepasseerd door een Italiaan die minder capabel wasmaar dekking had van Commissievoorzitter Prodi. Tilgenkamp stapte naar het Europese Hof in Luxemburg, omdat hij dit in strijd vond met de regels. Hij won en kreeg zijn baan alsnog, afgelopen herfst.

Trojan, de voormalige secretaris-generaal (een van de machtigste banen bij de Commissie), was ooit de spin in het Nederlandse web in Brussel. Hij kende alle Nederlanders vanaf een zeker niveau en spande zich in om hen verder te helpen. Hij overlegde vaak met Den Haag. In mei 2000 werd hij overgeplaatst naar een minder invloedrijke functie: Prodi wilde iemand anders op die post. Dat zette Den Haag totaal op zijn kop. Een razende premier Kok ontbood Prodi en eiste compensatie. Een directeur-generaal op de Juridische Dienst was te min – Den Haag wilde liever iemand op Begroting. ,,Ik zei: Begroting krijg je als klein land nooit!', vertelt een betrokkene. ,,En we hadden geen sterke kandidaat. Dan houdt het helemaal op. Maar Den Haag zette stug door, met als gevolg dat we niets kregen. Dat frustreert iedereen.'

Gebrekkige strategie

Strategie is volgens insiders nooit de sterkste kant geweest van Nederland. ,,We zetten eerst in op een post, en dan pas zoeken we iemand die erbij past', zegt een Nederlander. ,,Britten, Duitsers en Fransen zijn slimmer. Die zorgen dat ze goede kandidaten hebben, en kijken dan waar ze die kunnen inschuiven.' In mei wordt het nog meer dringen, op elk niveau. De tien nieuwe lidstaten kunnen óók een quotum claimen. Oudere functionarissen worden nu met vervroegd pensioen gestuurd, om hogere posten vrij te maken voor de nieuwkomers. De Fransen staan erom bekend dat ze soms op vier posten tegelijk inzetten. Niet alleen Fransen bij de Commissie en op de Franse PV bemoeien zich ermee, ook ministers in Parijs. Als ze uiteindelijk een compromis sluiten, houden ze óf die ene post over waar het hun uiteindelijk om ging, óf iets anders wat ook belangrijk is.

De meest geoliede baantjesmachine heeft Groot-Brittannië. Al twintig jaar hebben de Britten het `European Fast Streamers'-programma. Elk jaar worden tien tot twintig veelbelovende mensen voor dit programma geselecteerd, dat direct onder het bureau van de premier (de cabinet office) valt. Zij krijgen een zware training, inclusief talen – totaal op Europa gericht. Ze oefenen ook op het concours. Relatief veel Britten halen dit examen, en gaan vast bij de Commissie werken. Anderen worden er `gedetacheerd', ofwel voor een paar jaar uitgeleend. Het resultaat is dat er van hoog tot laag in de Commissie talentvolle, ambitieuze Britten zitten. ,,De Britse PV houdt nauwe banden met hen', zegt PV-woordvoerder Jonathan Allen. Als Fast Streamers terug willen naar hun land, kan dat. Ze worden dan zó ingezet dat hun Europese ervaring het best tot haar recht komt, bijvoorbeeld op een ministerie – iets waar in Nederland nooit veel aandacht voor was.

Britse en Franse functionarissen zien hun werk bij de Commissie als onderdeel van hun loopbaan. Zelfs hun eurocommissarissen gaan later weer in eigen land aan de slag. Voor een Nederlander is `Europa' meer een eindstation. Achter hen is de deur dichtgeslagen. ,,Je wordt niet beloond voor wat je bij terugkeer inbrengt', zegt een Nederlander. ,,Er is zelfs niets geregeld om het pensioengat te dichten. Wie terugkeert wordt keihard gestraft. Ik hoor dat ze daar nu iets aan willen doen, en ik hoop dat het waar is.' ,,Het ís waar', bevestigt Nicolaï.

Britse Fast Streamers worden ook vaak uitgenodigd voor etentjes met Britse ministers die naar Brussel komen, ze worden bijgeschoold en aangemoedigd om op bepaalde vacatures te solliciteren. Op de PV zitten twee Britten die dit proces coördineren. Een Nederlander die in het kabinet van een eurocommissaris heeft gewerkt, waar je je met benoemingen kunt bemoeien, zegt: ,,Ik heb eens bij een Britse collega carrièreplanningen zien liggen. Voor elke A7, een redelijk lage ambtenaar, hadden ze de loopbaan al uitgestippeld. Ongelooflijk! Nederland kan daar niet aan tippen.' Een ander vertelt: ,,Als ik een vacature heb, en er meldt zich een Fast Streamer, dan is de kans groot dat ik hem neem. Ze spreken hun talen vloeiend, werken keihard en zijn loyaal. Nederlanders leggen het af tegen deze Britten.' Chefs van European Fast Streamers moeten elk halfjaar een evaluatierapport voor de cabinet office schrijven. Eens te meer een bewijs dat Londen de regie strak in handen heeft.

Andere landen kijken hier jaloers naar. Ook Nederlanders met wie je over carrièreplanning praat, beginnen meteen over de Fast Streamers. Wat de Britten doen, is legaal. Ze bezorgen de Commissie goede mensen. En zelf verzekeren ze zich van mensen op strategische posities in Brussel. Een voormalig kabinetsmedewerker van een eurocommissaris zegt: ,,Ik kreeg eens twee brieven van de Spaanse permanente vertegenwoordiger in één jaar, of ik een zekere Spanjaard op die en die plek kon benoemen. Dan stuur je een standaardbriefje terug: `Zoals u weet, worden kandidaten hier op hun merites beoordeeld.' Einde verhaal. De Britten spelen het subtieler. Ze laten een sterke kandidaat solliciteren. Pas in de laatste ronde van de selectieprocedure voeren ze de politieke druk op om hém te nemen. Daar kun je veel moeilijker omheen.'

Dat `slechte kandidaten pushen' contraproductief kan zijn, ondervond ook Commissievoorzitter Prodi. Hij pushte een Italiaan voor de baan van directeur-generaal bij het DG Buitenlandse Betrekkingen. Dat ging van dik hout, vertelt iemand die dat van dichtbij meemaakte. ,,Prodi zei: `Ik wil een Italiaan op A1-niveau, punt uit'.' Eurocommissaris Chris Patten, die de baas is over dit DG, zei dat hij niet van plan was om zijn DG te laten runnen door iemand die daar ongeschikt voor was. Nu zit er een Spanjaard op die post, de Bask Eneko Landaburu, één van de meest gerespecteerde functionarissen bij de Commissie. Toen probeerde Prodi een Italiaanse A1 op Landbouw te krijgen. De afloop is bekend: hij kreeg de man benoemd, maar de Nederlander Tilgenkamp kon voor het Europese Hof bewijzen dat hij betere papieren had en ten onrechte was gepasseerd. Prodi beet andermaal in het stof.

Afgezeken

Sinds vorig jaar heeft Nederland óók een `klasje' voor Europa, dat een selecte groep Nederlanders (niet alleen ambtenaren, zoals bij de Britten) klaarstoomt voor een carrière in Brussel. Eerste horde: het concours. ,,Op dat punt gingen wij het de laatste tijd echt slechter doen', zegt staatssecretaris van Europese Zaken Nicolaï. Volgens hem spreken Nederlanders hun talen minder goed dan vroeger, ontbreekt het ze aan voldoende feitenkennis voor het concours en ook aan ambitie: ,,Het is toch een stapje meer, naar Brussel gaan.' Dat bevestigt Robert Gielisse, een Commissiefunctionaris bij DG Begroting die als jurylid voor concoursen fungeert. Het aantal geslaagden hangt af van de behoefte van de Commissie op dat moment. Wie het niet haalt kan een volgende keer weer meedoen. Eén concours kan 12 tot 24 maanden duren, onder andere doordat alles moet worden vertaald en kandidaten in beroep kunnen gaan als ze in hun ogen ten onrechte afvallen. Die lange procedure schrikt Nederlanders af. ,,Het is goed dat Den Haag mensen meer wil stimuleren om mee te doen', zegt Gielisse, die onlangs het boek Europese Vergelijkende Onderzoeken; A roadmap to success! schreef. ,,Vertegenwoordigd blijven bij de Commissie begint toch aan de bron.'

Door de nieuwe sollicitatieprocedures van eurocommissaris Kinnock wordt het moeilijker om op hoger niveau mensen van buiten vast bij de Commissie te krijgen. Dat kan nog maar op één manier: via een topbenoeming op A1- en A2-niveau. Richelle en Muis kwamen zo binnen. ,,Maar', zegt iemand, ,,het is voor buitenstaanders moeilijk om zich de cultuur en de regeltjes eigen te maken. Richelle heeft dat probleem. En Muis vertrekt alweer in april. Daar heb je als land op termijn weinig aan.' Mede daardoor kiezen veel landen voor een indirecte weg – via het kabinet van een eurocommissaris. Commissarissen kunnen voor hun kabinet een paar mensen van buiten aantrekken. Dat zijn meestal landgenoten (vroeger mocht hun hele kabinet uit landgenoten bestaan, nu nog de helft). Kabinetsleden mogen blijven zolang de commissaris er zit, daarna moeten ze weg.

Henk Post, voormalig kabinetschef van eurocommissarissen Hans van den Broek en Frits Bolkestein, slaagde er in zo een A2-post te bemachtigen. Maar makkelijk gaat dat niet. Officieel mag er pas een A2 van buiten worden aangetrokken als goede kandidaten binnen de Commissie ontbreken. Een stevig examen moet dat aantonen. Post, die nu directeur is bij het DG Interne Markt (het DG van Bolkestein), had een extra handicap: een commissaris die een landgenoot aantrekt wordt bij voorbaat verdacht van vriendjespolitiek. Of dat in dit geval zo was, is moeilijk na te gaan. Post heeft in zijn kabinetstijd een goede naam opgebouwd, onder vele nationaliteiten. Daarbij steekt Bolkestein, volgens ongeveer alle Nederlanders bij de Commissie, ,,nooit een poot uit voor ons'. Ook vertellen mensen die erbij waren dat Bolkestein Post tijdens diens afscheidsreceptie als kabinetschef ,,enorm heeft afgezeken'. Toch gonst het van de geruchten dat Post gepusht is door Bolkestein – vooral onder Nederlanders. Omdat Nederland `recht' heeft op ongeveer elf A2-posten, betekent elke Nederlandse A2 van buiten erbij dat er eentje minder van binnen benoemd kan worden.

Net als met de vier A1's haalt Nederland met de A2's zeker ook de limiet: twaalf. De laatste werd half december benoemd. Maar wie Nederlanders naar hen vraagt hoort, net als bij de A1's: ,,De meesten zitten op de verkeerde plekken.' Gelet op de zwaarte van de `Nederlandse' posten op A1-, A2- en A3-niveau, schrijft Robert Gielisse, ,,lijkt er sprake van ondervertegenwoordiging'.

Vechten op de gang

Staatssecretaris Nicolaï deelt die inschatting: ,,We moeten mensen in góéde posities zien te krijgen. Vooral daar moeten we het spel beter spelen.' Dus heeft Nederland een lijst met prioriteiten gemaakt – strategische functies bovenaan, waar het zijn best voor wil doen, en de minder belangrijke functies onderaan, waar het wellicht mensen voor wil ontmoedigen, mochten die willen solliciteren. Nicolaï wil niets kwijt over die prioriteiten. Maar navraag toont aan dat Nederlandse benoemingen op de directoraten-generaal Economische en Financiële Zaken, Interne Markt, Concurrentie, Handel en Begroting de voorkeur hebben. Benoemingen op Onderzoek en Ontwikkeling zijn minder belangrijk. De kunst is nu, kortom, om meer Nederlanders in de financieel-economische hoek van de Commissie te krijgen. Maar hoe?

Vooral door beter, en meer centraal, te gaan plannen, zegt Nicolaï – net als de Britten. Vandaar dat Peter Kok de meeste Nederlanders bij de Commissie is afgegaan, de afgelopen anderhalf jaar. Zo brengt hij in kaart wie waar zit, en wie er kan schuiven binnenkort. Ook probeert hij, onder andere via dat netwerk, roddels op te vangen over posten die vrijkomen. ,,Wie meedraait in het circuit', zegt een Commissieambtenaar, ,,hoort gauw genoeg dat, zeg, een Zweed probeert op een bepaalde post te komen. Dat betekent dat de plek van die Zweed vrij kan komen. Als dat een plaats is die interessant is, kun je er vast aan werken.' Kok kan daar een Nederlander binnen de Commissie op attenderen, of het in Den Haag melden voor een benoeming van buiten. Hij heeft zelf niet het gezag om op het hoogste niveau te lobbyen. Dat laat hij over aan de Nederlandse permanente vertegenwoordiger, of aan een Nederlandse minister of staatssecretaris, die er een eurocommissaris op kan aanspreken. Kok legt ook contacten met buitenlanders. Als die een Nederlander steunen voor een benoeming, komt het immers `eerlijker' over dan wanneer een Nederlander het doet. Zo bekijkt Kok nu – en hij is niet de enige in Brussel – of er iemand te parkeren valt in een kabinet van de nieuwe Oost-Europese eurocommissarissen, die eind 2004 aantreden. Ook Den Haag is daarmee bezig. Nicolaï heeft naar verluidt zijn collega in Warschau al een voorstel gedaan: de Nederlandse commissaris stelt een Pools kabinetslid aan en de Poolse commissaris neemt een Nederlander.

Vrijwel geen Nederlander in Brussel heeft problemen met de komst van Kok of met het feit dat er nu structureel gelobbyd wordt. Toch zijn velen sceptisch. Eén hunner vertelt: ,,Kok heeft al twee keer gezegd: `Één dezer dagen staat het in de kranten: er komt een benoeming aan!' Maar het liep op niets uit. Het ging om een plaatsvervangend directeur-generaal en om een directeur.' Een Nederlander die gehoord heeft dat Kok lobbyt voor een directeur bij Eurostat sneert: ,,Eurostat! Wat hebben we daar nou aan?' Maar wat opvalt is dat velen toegeven dat ze Kok wel informatie geven, of hem tippen als ze wat nuttigs horen. Wie weet komt er iets goeds uit voort. ,,Nederlanders zijn individualisten', meldt een voormalig kabinetslid. ,,Als ik vroeger een Nederlander steunde voor een post, dan begonnen andere Nederlanders direct te krijsen en te schreeuwen.'

Omdat de Nederlandse lobby nooit strak geregisseerd is geweest, bestaat er ook nog niet zoiets als een esprit de corps, een teamgeest. In Brussel zijn Nederlandse debatingclubjes en politieke partijen actief. In sommige Commissiegebouwen is er een `Nederlandse koffietafel'. Maar het gaat om kleine, versnipperde groepjes. En soms wordt er geroddeld bij het leven. Een hyper-competitieve omgeving als die in Brussel maakt duidelijk het beste én het slechtste in mensen los. ,,Als er een goede Franse kandidaat is voor een post', zegt het voormalige kabinetslid, ,,zal een andere Fransman daar niet gauw óók op solliciteren, om hem een kans te geven. Maar als er een goede Nederlandse kandidaat is, komen er zo nog drie Nederlanders op af! Ik had er eens twee die in de gang met elkaar op de vuist gingen. Met dit soort mensen werken is geen feest.'

Of de aanpak van Peter Kok vrucht afwerpt, is nog moeilijk vast te stellen. Er zijn veel factoren die bepalen of iemand benoemd wordt bij de Commissie. Koks inbreng is daar maar één van. ,,We moeten hem een poosje krediet geven', vindt een Nederlander. ,,Hij doet tien pogingen, en als negen mislukken, roepen alle Nederlanders: `Haha!' Maar dan is er toch eentje raak. Pas als we dat erkennen, is er vooruitgang.'

Gerectificeerd

EU-banen

In het staafdiagram van de verhouding tussen EU-functionarissen en het aantal inwoners van EU-lidstaten bij het artikel Banenjagen voor het vaderland (17 januari, pagina 39) zijn de gegevens van Groot-Brittannië en Finland verwisseld. De Britten hebben meer banen bij de EU dan de Finnen. In relatie tot het inwonertal zijn de Britten ondervertegenwoordigd, de Finnen oververtegenwoordigd.