Azië verliest zijn identiteit en raakt verdwaald in andermans plannen

In een globaliserende wereld wordt de cultuur steeds uniformer. Dit zet de eigen identiteit onder druk.

Op een ochtend werd ik wakker en voelde me niet langer een Aziaat. Mijn ogen en haren waren nog steeds zwart, mijn huid bruin en mijn jukbeenderen geprononceerd, maar er was al sprake van contaminatie. Als een verkeerd geformatteerde diskette kreeg ik te maken met slijtage. Mijn naam werd een last, want in mijn huidige vorm was ik niet in staat de symbolen die in de klank lagen opgesloten, op te pakken.

In mijn kamer drukten allerlei denkbeelden over vrijheid, rechtvaardigheid, waarheid, gelijkheid en menselijkheid zwaar op mij, denkbeelden die in de hele wereld worden verheerlijkt, maar die soms merkbaar in strijd zijn met de idealen van adat en traditie in Azië. Zelfs mijn stijl was al veranderd, want ik tooide me met accessoires die niet langer uit mijn eigen milieu kwamen.

Ik was een soort levende markt van technologische en industriële producten van een liberale denkwereld met een individualistische mentaliteit, die maakte dat ik een afkeer had van het gezin en van de instelling van het volk om samen te werken. Ik was iets nieuws geworden en tegelijk een virus.

Verward verliet ik mijn kamer en nam een wapen mee, want ik moest me altijd kunnen verdedigen als ik door mijn omgeving zou worden aangevallen, door familie of zelfs door mijn vrouw en kinderen, die onbekend waren en daarom mijn aanwezigheid niet langer konden accepteren. Het leven was een oorlog die misschien voor de deur was begonnen toen ik wakker werd.

Ik had al een andere keuze gemaakt. Daardoor had ik nog steeds het recht om me te verzetten en dat zou ik gebruiken ook, want de toekomst werd niet, zoals het zou moeten, door het verleden bepaald, maar door alle vernieuwingen die hadden plaatsgevonden.

Ik gaf een stoot tegen de deur en sprong naar buiten, klaar om te vuren. Maar voor de deur bleek zich een andere ruimte te bevinden. Een ruimte die mij niet vertrouwd was. Ik rook een geur die ik nooit eerder had geroken. De atmosfeer was zeer verleidelijk. Mijn zenuwen en mijn begeerte werden geprikkeld en opeens wilde ik er de liefde mee bedrijven. Maar juist toen ik het probeerde te verkennen, werd mijn lichaam opstandig. Ik had het niet langer meer in mijn macht. Hoewel ik besloot even stil te houden, liepen mijn voeten door en mijn wijsvinger trok bijna aan de trekker van het geweer dat precies op mijn eigen hoofd was gericht.

Meegesleept door een kracht die sterker was dan ik, bereikte ik een andere deur. Een deur die zich langzaam opende, toen ik probeerde naar binnen te dringen. Een deur die mij naar buiten en in een andere ruimte smeet. Ik raakte geheel in de ban van wat ik zag. Deze ruimte was angstaanjagender dan de vorige. Meer aanvallen, meer agressie. Uit alle muren kwam een kracht te voorschijn die mijn hele lichaam leek op te zuigen. Het geweer schoot uit mijn handen en van alle kanten werd er aan mijn lichaam gerukt. Ik hield stand. Mijn kleren werden mij van het lijf gescheurd tot ik compleet naakt was. Toen werd mijn lichaamshaar uitgetrokken. Dat deed ontzettend pijn. Ik schreeuwde het uit om me af te sluiten voor de pijn. Maar vervolgens werden mijn vingers, armen, voeten, oren, neus, al mijn lichaamsdelen losgetrokken en opgeslokt door de muren van die wrede ruimte.

Nu was ik niet alleen mijn Aziatische identiteit kwijt, mijn hele bestaan was geruïneerd. Maar verbazingwekkend genoeg was er nog iets over. Mijn gevoel was onzichtbaar, had geen kleur, geen volume. Dat gevoel kon ontkoppeld worden, kon waar dan ook naar toe stromen en afstanden, tijd en wetten overbruggen, maar altijd keerde het als een boemerang weer terug.

Met dat gevoel zag ik hoe honderden, duizenden, miljoenen en zelfs miljarden deuren mij wachtten. Eerst was ik verbaasd, maar ik raakte ervan overtuigd dat ik bezig was de denkwereld van andere mensen binnen te gaan. Ik was inmiddels verdwaald geraakt in andermans plannen. Dit was wel de grootste nederlaag van Azië en het mocht nooit meer opnieuw gebeuren.

Ik omhelsde het gevoel dat nu mijn ziel was geworden. Ik keerde om en wilde haastig terugkeren. Naar huis gaan en volhouden is de allerlaatste en beste manier. Maar zodra ik me had omgedraaid, raakte ik opnieuw als betoverd. Voor mij, om precies te zijn achter mij, stond Azië.

,,Wat je ook doet, ik zal altijd achter je staan'', fluisterde het. ,,Ik ben een Balinees, want ik ben op Bali geboren uit Balinezen, maar bén ik ook Bali? Mijn gezicht is rond, mijn neus plat, mijn jukbeenderen geprononceerd. Ik heb spleetogen en een donkere huid, maar ik zit al in de gedachten van andere mensen. Heb ik wel het recht om mezelf Azië te noemen? Ben ik dan een buitenlander geworden, nu ik geen sarong meer draag maar een spijkerbroek en schoenen en er westerse denkbeelden op na houd?''

,,Eenmaal geboren als Aziaat, ben je al vervloekt als Azië. Wat je ook doet, wiens masker je ook draagt, ik blijf achter je staan'', sprak Azië dat plotseling mijn diepste wezen binnentrad. ,,Ik ben geen volk, geen ras, geen gebied, geen ideologie, geen inzicht, geen religie, niet slechts een morele en politieke macht, maar een concept, evenals Afrika, Europa, Australië en Antarctica. Azië is een gevoelsfenomeen.''

Schrijver en dramaturg, geboren in Bali. Dit is een van de orakelspreuken die zijn geschreven voor het literaire festival Winternachten, dit weekeinde.