Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Met de vriendschappen vlot het niet zo. Halverwege de Kalóz utca kwam ik een Al Pacino-achtige man tegen in lange leren Gestapojas, stoer en sympathiek – een potentiële vriend kortom. De honden ontwaarden hem ook en deden wat ik had moeten doen; ze renden hem vrolijk tegemoet. De man vluchtte, met de dood in de ogen, richting het onverharde deel van de Pinty ut. Kwispelend en blaffend gingen de honden achter hem aan. Om zijn as draaiend, als een hinde ingesloten in een pak wolven, en met de armen gekruist voor het hoofd – in een panische poging diepe vleeswonden in het aangezicht zolang mogelijk uit te stellen – struikelde hij de heuvel op.

Zonet koos ik een andere route en kwam onderaan in het doodlopende stuk van de Kalóz ut bij een huis waar een volwassen man een zwarte poedel in de armen hield als een zojuist geredde drenkeling. Iwan stond irritant te blaffen voor het hek. Dat doet ie altijd precies dáár waar het niet moet, een hebbelijkheid die de honden met de kinderen delen (de kinderen blaffen niet, maar elkaar in het kruis trappen en het kristal van tafel stoten doen ze precies dáár waar het niet moet). Ik voelde op tien meter al dat het allemaal verkeerd was. Door het gegalvaniseerde Heras-hekwerk keken drie paar ogen (poedel meegerekend) mij verwijtend aan. Ik knikte de man en vrouw aan de andere kant van het hek welwillend toe.

,,Es ist ein Gesetz das Hunden im zwölften Bezirk an der Leine müssen. Mann darf nicht so laufen! Es ist hier wie in Östenreich, Deutschland.'' Haar manier van spreken was aggressief. Het vergelijken met de Duitstalige naties had iets smerigs. Ik mocht blij zijn blank van huid te zijn anders had ik al een autoband om mijn nek gehad. De vrouw had een bezem in haar hand en was gestopt met vegen van het asfalt bij het electronische hek. De man bleef de poedel omklemmen alsof mijn honden ieder ogenblik de sprong over de bovenste string prikkeldraad van het twee meter hoge hek zouden wagen.

Ik antwoordde dat ik ze aanlijnde zodra er andere honden naderden. In canon herhaalde het tweetal het eerder gezegde enkele malen, met dreigende varianten – politie, dood – op het thema. Twee dingen werken me op de zenuwen; als mensen me gaan vertellen wat ik moet doen en als mensen zichzelf herhalen. Ik liep door, dit werden geen vrienden. Zij riep me nog na; ,,Es ist hier der Balkan nicht!''

Drie weken geleden hebben we een etentje georganiseerd. We hadden een Hongaar uit New York, een Hongaar uit Duitsland, een Hongaar uit Oostenrijk, een Hongaar uit Hongarije en een Engelsman uit Hongarije uitgenodigd, met hun Hongaarse vrouwen. Ze zijn, op de Engelsman na, allemaal zonen van in 1956 gevluchte Hongaren. Een van hen, Bubu, beweerde dat je schilderijen met scheerschuim kan schoonmaken.

We kennen ze dankzij Tristan, achterneef van Ilona en de laatste dandy van de voormalige dubbelmonarchie. Tristan die een halte eerder uit de bus stapt voor de thee bij de oude prinses Schwarzenberg om joyeus aangezwierd te komen alsof hij het openbaar vervoer nog nooit van binnen heeft gezien, Tristan die op zijn eigen concours hippique moet vluchten omdat hij amazones van de Italiaanse olympische equippe in het hooi verleidt, Tristan die zijn hoofd boven water hield als deejay in de legendarische Piaffbar, Tristan die gebruikte computers naar Roemenië bracht in ruil voor vrachtwagenladingen Transsylvaans hout, Tristan die bij het eerste ochtendgloren stijf van de drank de Piaff uitkomt, een oude tante tegen het lijf loopt en met zijn platenkoffertje in de hand doet alsof hij op weg is naar kantoor en zich moet haasten. Tristan, altijd de onberispelijke uitstraling en de vrolijk onaangedane blik in de ogen van een Engelse Lord. Tristan, die minstens acht talen spreekt, of het pretendeert. Tristan, de onbetwiste nachtburgemeester van Boedapest. Ons etentje eindigde ermee dat we het reusachtige schilderij van Pálibaci van boven de Zeeuwse kast van de muur haalden. Pálibaci ziet eruit zoals het een Hongaarse magnaat betaamt; attila met bontkraag en vele tressen, zilveren sluitingen, berenbonte muts met aan voorzijde een hoge witte pluim, een met edelstenen ingelegd Turks zwaard aan de heup. Hij kijkt ferm, de kin ietsje geheven, naar links, naar het verleden, naar het pre-Trianon Hongarije. Op het eerste gezicht is hij een toonbeeld van doortastendheid, maar onder het oppervlak knaagt de onzekerheid. Pálibaci heeft de bleke huid van een overgevoelig mens – een man die de toekomst niet zeker is.

Geflankeerd door Bubu klom ik op een stoel en haalde als een hooligan de familiepatriarch van de muur. We legden Pálibaci voorzichtig op de grond, keken hem nog een keer aan en spoten toen baard en wangen vol met dikke klodders Gillette comfort glide. Bubu en ik poetsten het scheerschuim met tissues uit over de tachtig jaar oude laag olieverf. Pálibaci is niet de trotse voorvader mijner zonen. Pálibaci is een vondeling, die Ilona en ik twaalf jaar geleden aan de rand van Boedapest op de ecserimarkt uit een grote stapel klamme schilderijen hebben getrokken en voor 200 gulden op het dak van een Peugeot 304 mee naar huis hebben genomen.

Ademloos keken de naar het moederland teruggekeerde Hongaren toe. Bubu had gelijk; rood kwam terug op de wangen, goud op de onderscheidingen en twinkeling in de ogen. Onder onze dronken handen, midden in de nacht, werd Pálibaci herboren.