Zonder Kuifje was hij nergens gekomen

Ondanks grote successen was striptekenaar Hergé een gekweld, want perfectionistisch man. Maar dankzij de avonturen van Kuifje, onlangs 75 geworden, ontwikkelde hij zich van rechtse katholiek tot milde kosmopoliet.

Tweehonderd miljoen exemplaren. Zoveel Kuifje-albums zijn er volgens een schatting van uitgeverij Casterman wereldwijd, in bijna vijftig talen, verkocht. Waarom zijn Kuifje, kapitein Haddock en professor Zonnebloem zo populair? Hergé (Georges Remi, 1907-1983) kwam – in 1977, op de BBC-radio – niet veel verder dan: ``Ik weet het echt niet. Ik sta er zelf ook versteld van.'' Iets kan er wel over worden gezegd. De dynamiek van zijn tekeningen, de eenvoudige, heldere stijl – die door collega-tekenaar Joost Swarte de `klare lijn' werd genoemd – heeft er zeker mee te maken. De geslaagde combinatie van spanning en humor ook. En het feit dat de verhalen weliswaar goed ingebed zijn in een realistische omgeving, maar zelf een universeel karakter hebben.

Volgens de filosoof Michel Serres, een vriend van Hergé, `komt de hele wereld – Azië, Amerika, de eilanden in de Pacific, de Inca's, de Indianen en de Kongolezen – samen in een middelpunt'. Dat middelpunt, Kuifje, of Hergé, geeft `samenhang en volheid, bestaansrecht en perfectie' aan de avonturen. Met geen stripheld is het zo makkelijk identificeren als met Kuifje. Hij heeft geen familie, hij is niet volwassen, maar ook geen kind. Hij is `tintin', en dat is Frans voor `niks'. Om die lege huls heen verzon Hergé een bonte stoet bijfiguren: karikaturen van de meest gevreesde en geliefde mensen in zijn omgeving. De lezer kan ze in zijn eigen omgeving terugvinden.

De strip wordt wel de negende kunst genoemd. Als iemand daarvoor heeft gezorgd, dan is het Hergé. Joost Swarte werkt momenteel de plannen uit voor een Kuifje-museum dat in 2007 – op de honderdste geboortedag van Hergé – af moet zijn. Dan is Hergé, die door Andy Warhol werd geportretteerd en verwantschap voelde met Roy Liechtenstein, gecanoniseerd als groot kunstenaar.

Reporter

Hergé was een gekweld mens. Niet in staat om zijn tekortkomingen te accepteren, en daardoor niet geschikt voor het geluk. Dat blijkt uit de biografie van Benoît Peeters, auteur van onder meer De wereld van Hergé (Casterman, 1983). De aanpak van de biograaf is opvallend: de drieëntwintig Kuifje-albums ziet hij als een `indirecte autobiografie', omdat naar zijn mening alle belangrijke gebeurtenissen uit het leven van Hergé hun neerslag hebben gevonden in de avonturen van de reporter.

De ontwikkeling van Hergé is die van een naïeve en bevooroordeelde rechtse katholiek tot een door de tao gefascineerde kosmopoliet. En ja, die ontwikkeling is goed terug te zien in de avonturen van Kuifje. Eerst helpt hij in Afrika de missionarissen en schiet hij en passant de lokale fauna aan gort, later redt hij in Tibet een intellectuele Chinees uit de armen van een vertederende Yeti. Hergé was ouder, wijzer, vooral ook liever geworden, en dat lees je terug in Kuifje. Peeters gaat nog een stap verder. Hij stelt dat de ontwikkeling van Hergé afhankelijk was van de avonturen van zijn stripheld. Zonder Kuifje, die steeds opnieuw de wereld introk, zou Hergé altijd een onwetende Brusselaar zijn gebleven. Deze houding voert Peeters consequent door in de biografie, tot en met de titel: Hergé. Zoon van Kuifje.

Het belangrijkste moment in Hergés ontwikkeling kan volgens Peeters heel precies worden aangewezen: het is een scène uit De Blauwe Lotus, waarin Kuifje en zijn nieuwe vriend Tchang de vooroordelen bespreken die Europeanen en Chinezen jegens elkaar koesteren. Tchang kreeg te horen dat `alle blanken duivels slecht waren', en Kuifje vertelt dat Europeanen denken dat `alle Chinezen vals en wreed zijn'. Peeters ziet deze scène – uit het vijfde album – als het beginpunt van de avonturen van Kuifje: `De stereotiepe wereld waarin de verslaggever zich tot dan toe heeft bewogen, wordt een mythe die vanaf dat moment ``raar'' heet te zijn.' Vanaf De Blauwe Lotus zijn de avonturen van Kuifje bijzonder goed gedocumenteerd.

Het `verband' tussen scheppend kunstenaar en oeuvre wordt door Peeters met veel lef en soms wel erg blasé uitgediept. Bijvoorbeeld wanneer hij De Juwelen van Bianca Castafiore behandelt. De kapotte trede van de trap in Molensloot, en vooral de eindeloze onderhandelingen over de reparatie, verwijzen volgens de biograaf naar een slepende renovatie van het huis van Hergé en zijn vrouw in Céroux-Mousty. De op handen zijnde scheiding met zijn vrouw Germaine wordt een door paparazzi gesuggereerd huwelijk tussen Castafiore en Haddock, en zelfs de fanfare die het aanstaande bruidspaar komt feliciteren, stond ooit in de voortuin van Hergé.

Heel concreet wordt het verband tussen Hergé en zijn stripfiguren wanneer Peeters ingaat op het poseren. Vanaf de jaren veertig laat Hergé zich regelmatig door zijn medewerkers tekenen om, zoals hij zelf zegt, `de houdingen van een personage zo juist en zo expressief mogelijk weer te geven'. Peeters concludeert na een vergelijking van vroege en latere voorstudies dat de hogere leeftijd van Hergé ertoe heeft geleid dat de poses steeds strammer worden, met als gevolg dat de actiescènes minder overtuigen.

Peeters heeft enkele nieuwe bronnen tot zijn beschikking, waaronder brieven van Hergé aan zijn eerste vrouw Germaine. Hergé vertelt haar over de onrust, die hij ondanks zijn succes voelt. `Ik heb alles al gedaan en ik heb het onduidelijke gevoel dat er nóg iets is.' Dat verlangen naar `iets anders' heeft ervoor gezorgd dat Hergé altijd ontevreden bleef. Marcel Stal, galeriehouder en kennis van Hergé, zegt het in de biografie zo: `Hij had geen talent voor geluk. Er was altijd wel iets dat het belemmerde. Onzekerheid, onzekerheid.' Hergés therapeut constateerde `de witte demon van de zuiverheid' in hem: hij wilde alles goed doen, maar pleegde overspel en vluchtte wel eens voor zijn verantwoordelijkheden. Hergé heeft zichzelf die onvolkomenheden nooit vergeven.

Naast nieuw materiaal heeft Peeters, zelf stripscenarist, onderzocht wie Hergé allemaal hielpen met het verzinnen van de avonturen. Hij noemt, naast bekende figuren als priester Norbert Wallez – directeur van de Brusselse krant Le Vingtième Siècle en een soort beschermheer van Hergé en zijn vrouw – een nieuwe naam: Albert Weinberg. Hergé benadert hem in 1950 voor hulp bij het scenario van Mannen op de maan. De samenwerking verloopt goed, vooral omdat Weinberg de eigengereide Hergé niet te veel in een keurslijf probeert te stoppen. Hergé nam veel suggesties over: zo vermoedt Peeters dat het personage Wolff, de enige figuur uit de wereld van Hergé die zelfmoord pleegt, een idee is van Weinberg. Wolff sprak Hergé wel aan, omdat hij verscheurd werd tussen twee belangen: zijn gokschuld en zijn loyaliteit aan Zonnebloem. De vraag wanneer iemand een slecht mens is, was voor Hergé actueel. Dat hij na de Tweede Wereldoorlog een lange gevangenisstraf wegens collaboratie ontliep, was slechts te danken aan de populariteit van Kuifje.

Foxterrier

Hoe fout Hergé precies was in de oorlog, werd al zeer uitgebreid behandeld door Pierre Assouline. Als eerste kreeg hij toegang tot alle archieven van Hergé, en in 1996 publiceerde hij de eerste serieuze biografie (Hergé. Biografie, Meulenhoff). Hergé maakte tijdens de oorlog strips voor een `gestolen' krant en hield zich opvallend naïef. Het succes van Kuifje is voor een deel te danken aan het feit dat Hergé in de oorlog in grote kranten ging publiceren. Nu de pijnlijke feiten al een tijdje bekend zijn, kan Peeters wat evenwichtiger omgaan met het bronnenmateriaal. Bovendien trekt hij in zijn inleiding de terechte conclusie dat Assouline de aandacht voor de politieke keuzes van Hergé ten koste laat gaan van de aandacht voor zijn rijke oeuvre.

Afgelopen zaterdag was het vijfenzeventig jaar geleden dat Kuifje debuteerde in het weekblad Le Petit Vingtième. Opvallend is dat Hergé volgens Peeters een handje is geholpen bij het verzinnen van Kuifje. Een paar dingen zijn al langer duidelijk: Hergé publiceerde sinds juli 1926 de strip De avonturen van Totor, P.L. van de Meikevers in het kleine blaadje Le Boy-Scout. Patrouilleleider Totor beleeft een reeks onsamenhangende avonturen in Amerika, en is duidelijk een voorloper van Kuifje. Ook was dankzij de Nederlandse tintinoloog Huib van Opstal al bekend dat Hergé op 30 december 1928, minder dan twee weken voordat Kuifje op 10 januari debuteerde, onder de titel `De Kerstmis van een braaf jongetje' in het satirische weekblad Le Sifflet een strip van twee pagina's publiceerde over een jongen met een naar voren staande kuif en een witte foxterriër, die beiden zonder naam werden opgevoerd. Wat Peeters aan deze gegevens toevoegt, is dat abbé Norbert Wallez de strip in Le Sifflet had gezien, en Hergé adviseerde om een langer verhaal te maken over die twee figuurtjes. Dat het zo is gegaan concludeert Peeters uit een opmerking van Germaine Kieckens: `Kuifje is dankzij abbé Wallez geboren; Georges heeft hem bedacht, maar de abbé heeft het idee gehad.'

De vertaling van Peeters' biografie is adequaat, maar bevat een paar rare fouten. De oorzaak hiervan lijkt de onbekendheid van de vertaalster met de avonturen van Kuifje te zijn. Dit, en de gelijkenis tussen de Franse woorden poison en poisson, brengt de vertaalster er toe om `het gif dat gek maakt' – het Radjaïdjah-sap uit onder meer De Sigaren van de Farao – te vertalen als `een vis die krankzinnig maakt'. Potverpillepap!

Benoît Peeters: Hergé. Zoon van Kuifje. Uit het Frans vertaald door Ingrid Klijnveld. Atlas, 479 blz. €24,50