Zingen is oorlog

Het Eurovisie Songfestival dreigt ten onder te gaan aan internationale cultuurpolitiek van de grote landen, die zich een vaste plaats in de finale kopen.

Als een bijna hopeloos derdewereldland moet Nederland zich terugvechten in de internationale elite van het lichte lied die in mei mag meedoen aan de finale van het Eurovisie Songfestival in Istanbul. In een `halve finale' die in Istanbul voorafgaat aan het echte Songfestival, dient Nederland zich te kwalificeren door het beter te doen dan allerlei andere kleine zingende landen. Dat zijn nieuwkomers in Eurovisieland, zoals het onaanzienlijke Andorra, en losers die wegens hun zwakke prestaties uit het verleden nòg slechter worden aangeslagen dan Nederland.

Als Nederland in de kwalificatieronde niet hoog genoeg eindigt, dan mag het niet meedoen aan het Songfestival. Het Nederlandse zangleed is dan nauwelijks te overzien, want in de verkiezing van de Nederlandse deelnemer is een verbijsterende hoeveelheid werk gestoken. Het Nationaal Songfestival – met vier voorronden, een herkansingsronde en een finale – is dan voor niets geweest. Vierentwintig liedjes werden door een vakjury geselecteerd uit 485 inzendingen.

Vanaf donderdag wordt het Nationaal Songfestival door NOS en TROS vanuit Amsterdam zes keer uitgezonden. De afgelopen maanden waren al zestien afleveringen te zien van Op weg naar het Songfestival.

Nog nooit in de Nederlandse televisiehistorie is er zoveel aandacht geweest voor het Eurovisie Songfestival, dat juist een steeds kwalijker imago krijgt. Van het vriendelijke idealisme uit de beginjaren van de Europese eenwording is niets meer over. Na het vallen van de Berlijnse Muur en het IJzeren Gordijn is het in het `vrije Europa' niet meer mogelijk dat elk land op een avond in mei op de televisie een liedje mag zingen. Vierentwintig is het maximum, langer dan drie uur mag het Songfestival niet duren, terwijl de Olympische Spelen wel weken doorgaan. Ordinaire internationale culturele machtspolitiek van de grote mogendheden in de European Broadcasting Union dwingt een aantal kleinere zingende landen tot een vernederende ratrace in de stijl van Idols.

Voorkeursbehandeling

Vorig jaar in Riga eindigde de Nederlandse deelneemster Esther Hart met One more night op de dertiende plaats. Hoewel Hart daarmee terechtkwam in het exacte midden van het deelnemersveld van 26 landen, was dat toch niet genoeg om dit jaar verzekerd te zijn van een rechtstreekse plaatsing voor het Songfestival. Maar sommige landen zijn meer gelijk dan andere. Engeland, dat vorig jaar 0 punten kreeg, hoeft zich dit jaar niet te kwalificeren. Dankzij een voorkeursbehandeling is het Verenigd Koninkrijk toch verzekerd van een plaats in het prestigieuze hoofdtoernooi.

De regels voor het Songfestival zijn vanaf dit jaar onder druk van de belangrijkste landen weer eens veranderd. Openlijke discriminatie is nu tot systeem verheven. Engeland, Frankrijk, Duitsland en Spanje, de landen die het meeste betalen aan het Songfestival, zijn voortaan automatisch van deelname verzekerd. Ze hebben zich met geld ingekocht in het Eurovisie Songfestival en samen vormen ze een machtige `Veiligheidsraad' in de `Verenigde Zingende Naties'. Ten opzichte van vroeger is er voor andere landen toch nog een kleine verbetering. Nu heeft Nederland tenminste nog een kans zich te laten horen op het officiële Songfestival. In 1995 mochten we al helemaal niet meedoen omdat Willeke Alberti in 1994 met Waar is de zon was geëindigd op de 23ste plaats. En in 2002 was Nederland uitgesloten wegens onvoldoende presteren van Michelle, die het jaar daarvoor achttiende werd.

Toch heeft Nederland bij het Eurovisie Songfestival sinds lang een reputatie hoog te houden. Voor de Eurovisie zou het zelfs een eer moeten zijn een mede-oprichter en een zo vaak succesvolle laureaat zondermeer voor de finale uit te nodigen. Prestaties uit het verleden bieden inderdaad geen garantie voor de toekomst. Maar dat geldt omgekeerd ook. Een land dat vorig jaar hoog eindigde, doet dat dit jaar niet automatisch opnieuw.

Sinds het oprichtingsjaar 1956 won Nederland vier keer, zij het dat Lenny Kuhr in 1969 met De troubadour eindigde op een gedeelde eerste plaats. Daartegenover stonden vier laatste plaatsen. Maar sinds 1968 (Ronnie Tober met Morgen) is dat niet meer voorgekomen. De laatste tien jaar waren er zelfs regelmatig zeer goede scores voor de Neder landse deelnemers: 4 (Edsilia Rombley), 6 (Ruth Jacott), 7 (Maxime & Franklin Brown) en 8 (Marlayne).

Extra vernederend is dat Nederland nu een finaleplaats moet veroveren in Istanbul, dat het Eurovisie Songfestival mag organiseren omdat Turkije vorig jaar won. In 1985 riep Turkije nog de hulp in van de Nederlandse Dolly Dots om een trio Turken op het Songfestival geen Turken te laten lijken. Voordien eindigde Turkije met een Turks lied gewoonlijk op een van de laatste plaatsen. De Dolly Dots moesten de Turken een westerse uitstraling geven.

Tot Turkse winst leidde die Nederlandse vocale ontwikkelingshulp toen nog niet. Maar vorig jaar won Turkije het Songfestival met een lied dat precies de geografische positie van het land aangaf tussen west en oost: de vrouwenemancipatie werd bezongen op een westerse beat, versierd met oriëntaalse haremdans.

Het Eurovisie Songfestival weerspiegelt al bijna vijftig jaar de toestand in de wereld, althans in Europa. In 1956, bij het eerste Eurovisie Songfestival in Lugano, waren er slechts zeven deelnemende landen. Dat waren de oprichters van het verenigde Europa: Frankrijk, Duitsland, Italië, de drie Beneluxlanden en het neutrale Zwitserland. Om de avond te vullen mocht elk land twee liedjes laten zingen.

De Zwitserse Lys Assia won met Refrain. Voor de overige deelnemers werd niet eens een officiële uitslag opgesteld. Jetty Pearl (De vogels van Holland) en Corry Brokken (Voorgoed voorbij) konden na afloop niet zeggen op welke plaats ze waren geëindigd. Dat was nog eens een mooie tijd, het ging immers eigenlijk nergens om. Het doel was gewoon een aardig zangfestijn, dat op positieve wijze het `eenheid in verscheidenheid' uitdroeg. Zingen was belangrijker dan winnen.

Vuile middelen

Tegenwoordig is alles anders. Zingen is nu oorlog. Dat is geen variant op het `voetbal is oorlog' van Rinus Michels. Zingen is al eeuwenlang een vorm van rivaliseren, waarbij vuile middelen niet worden geschuwd. De opera Tannhäuser van Wagner gaat over een `Sängerkrieg' op de Wartburg. Elisabeth, het nichtje van de landgraaf, is de hoofdprijs, maar het loopt voor iedereen af met de dood. En ook Wagners Die Meistersinger von Nürnberg gaat over een zangwedstrijd die ondanks strenge regels niet zonder trucs en manipulatie verloopt.

In Mozarts operaatje Der Schauspieldirektor twisten de sopranen Madame Silberklang en Madame Herz om de hoofdrol en krijsen elkaar de tent uit. Al in het oude Athene, bakermat van de Europese beschaving, waren er wedstrijden met toneelstukken, waarin ook werd gezongen. Aeschylus won vanaf 484 v.Chr. dertien keer. 2.500 jaar later is de beschaving zo ver voortgeschreden dat er nu zelfs een zangwedstrijd op wereldniveau is waarbij hele continenten het tegen elkaar opnemen. `World Idol' met deelnemers uit Europa en Amerika was op kerstavond de Eerste Wereldoorlog zingen. Onze Jamai werd laatste.

Democratische beginselen, ook afkomstig uit het oude Griekenland, delven in de huidige zangoorlogen het onderspit. Het Eurovisie Songfestival wordt tijdens de stemmingen beheerst door coalities en machtsblokken. Cyprus en Griekenland geven elkaar al jaren veel punten, de Scandinavische landen bevoordelen elkaar altijd, evenals Frankrijk en Italië. Nederland doet daar niet aan mee, zo constateert Willem van Beusekom, de `Nederlandse mister Songfestival'. Wij geven onze punten niet aan vaste favorieten, maar van anderen krijgen we ze dus ook niet. Daardoor dreigt voor Nederland permanent een relatief lage positie.

Het is hoog tijd voor de invoering van een Europese zanggrondwet met vijf vanzelfsprekende principes en idealen.