Wat hebben die Nederlanders toch

Een Duitse socioloog analyseert het fenomeen-Fortuyn. De onzekerheid door globalisering heeft volgens hem de voorbeeldige democratie Nederland aan het wankelen gebracht. Tegelijk neemt hij heel wat `fortuynismen' over.

Niet de kleinste paradox van de politieke aardschok die Nederland in 2002 trof is dat deze zowel in binnen- als buitenland als `on-Nederlands' werd gezien. De onverwachte opkomst en even onverwachte ondergang van het fenomeen-Fortuyn verstoorden in veler ogen het beeld van Nederland als uitzonderingslandje, als een eiland van multiculturele blijheid, paarse welvaart en pragmatische saaiheid in een boze wereld vol grote politieke conflicten en gebaren. Nederland had zijn politieke onschuld verloren, zo zei men elkaar na: it could happen here. De ironie van het geval was natuurlijk dat Fortuyn zijn intens beleefde Nederlanderschap met een on-Nederlandse exuberantie en arrogantie aan de man bracht, en door zijn optreden on-Nederlandse taferelen van politiek fan-dom, hysterie en rouwbeklag uitlokte.

Na de gemakzuchtige koppen op de dag na de moord op de `far-right showman' (The Guardian) en de `Nederlandse Le Pen' (Daily Mirror) is er over Fortuyn in het buitenland niet veel meer nagedacht. Ook in het bredere politiek-wetenschappelijke debat over het naoorlogse rechts-populisme heeft het geval-Fortuyn nog nauwelijks een plaats gekregen, terwijl zijn unieke optreden juist die schakering aanbrengt die het populisme opnieuw interessant maakt als analytisch object en democratisch project. Misschien doet zich in het buitenland wel een variant voor van de Fortuyn-moeheid en de politieke opluchting die Nederland na de verkiezingen van vorig jaar beving. De winterslaap van Haider, het naderende pensioen van Le Pen, de gaatjes in het cordon sanitaire rond het Vlaams Blok: misschien hoopt men wel dat het rechtspopulisme na jarenlang voor schrikreacties te hebben gezorgd nu vanzelf zal overgaan.

Dat is niet de inzet van het boek van Frank Eckardt, die meent dat Fortuyns slagschaduw nog lang over ons land zal blijven liggen. Eckardt is een jonge journalist en politicoloog die vijf jaar in Rotterdam woonde, een boek schreef over die stad (Rotterdam. Konturen einer globalisierten Stadt, Münster 2001), en nu werkzaam is als junior-professor in de sociologie van de globalisering aan de Bauhaus-universiteit van Weimar. Zijn tweede boek over Nederland is geen wetenschappelijke maar een journalistieke studie, vooral gebaseerd op eigen interviews en analyses in de Nederlandse pers, en uitdrukkelijk bedoeld voor een Duits publiek. Het bestaat voor een groot deel uit bewerkte columns over de Nederlandse politieke en culturele Alltag die de afgelopen jaren verschenen in het linkse maandblad Kommune.

Die vaardig geschreven vignetten (die helaas door vele foutjes worden ontsierd: Wouter wordt Walter Bos, Henny Huisman wordt Henny Housman, de Nederlandse premier zetelt in het `Torretje') worden bijeengehouden door een diepergravend perspectief waarin de populistische ruk naar rechts vooral wordt verklaard als gevolg van de mislukte aanpassing van Nederland aan de economische en culturele globalisering. Zoals de achterflap samenvat: `de globalisering van het dagelijks leven met zijn flexibilisering van de arbeidswereld, internationalisering van culturele contacten en privatisering van sociale risico's hebben de Nederlanders in hun identiteit onzeker gemaakt en een voorbeeldige democratie aan het wankelen gebracht'. Eckardt beschrijft hoe een betrekkelijk homogene politieke cultuur met duidelijke spelregels in snel tempo uit haar voegen raakte. Hoewel de pragmatische managers van het poldermodel aansprekende successen hadden weten te behalen, verloor het zijn glans omdat het debat over toekomstperspectieven werd geblokkeerd. De burgers verlangden een politiek project, en Fortuyn spiegelde ze een geïdealiseerde vorm van de maatschappij van de jaren vijftig voor.

Fantoompijn

Fortuyn was de Televisionär waar niemand tegenop kon. Als narcistische Spaßpolitiker was hij alomtegenwoordig en begripvol, `lustig und knallhart'. Een persoon als programma, een eenpersoonspartij: dat was nog niet eerder vertoond in de saaie Nederlandse parlementaire democratie. Met Fortuyn trad de Nederlandse politiek definitief binnen in het tijdperk van het geënsceneerde en gemediatiseerde spektakel, meent Eckardt. Zijn laatste boek, Der Müll von acht Jahren Lila, (dat moet zijn: Die Trümmer von ...) was niet meer dan een losse verzameling van onsamenhangende uitspraken over van alles en nog wat. Ook bij Fortuyns andere geschriften kreeg de lezer volgens Eckardt een waas voor de ogen, omdat de auteur alles met elkaar in verband wilde brengen maar de eindjes niet aan elkaar kon knopen. Zonder bronvermeldingen of verwijzing naar andere auteurs liet Fortuyn zijn gedachten de vrije loop; hij citeerde alleen zichzelf, om te bewijzen dat hij altijd al gelijk had gehad.

Zo boetseert Eckardt toch weer het beeld van een opportunistische rancunefiguur zonder intellectuele inhoud, die een intens verlangen naar gemeenschap ontwikkelt, en ondertussen het onbehagen van de gewone man misbruikt ter vergroting van zijn eigen populariteit. De buitenlanders krijgen de schuld van de onzekerheden die voorvloeien uit de economische globalisering. Het verwijt van vreemdelingenhaat kon Fortuyn volgens Eckardt gemakkelijk pareren door te wijzen op de tekortkomingen van een op zichzelf verliefde Haagse elite, die de financiën op orde had gebracht ten koste van een ernstige beschadiging van de sociale infrastructuur. Het kleinste probleem van de relatief stabiele welvaartsstaat werd daarbij opgeblazen tot een monstrueuze fantoompijn. Fortuyns fundamentele kritiek op de gevestigde politiek was ingebed in ondergangsfantasieën, agressie en machtswellust. Dat is de sociaalpsychologische erfenis waar de Nederlandse politieke cultuur mee in het reine moet zien te komen.

Na de Fortuyn-crisis, aldus de auteur, zocht men maar al te graag zijn toevlucht tot de vermeende autoriteiten van een uit zijn as herrezen CDA en van een door Máxima verjongd koningshuis. Beide goten de nostalgische behoefte aan harmonie in een acceptabele vorm, maar voedden zich tegelijkertijd met hetzelfde onbehagen waarvan ook Fortuyn had geprofiteerd. Omdat de `afslanking' van de verzorgingsstaat volgens Eckardt nog meer ontevredenheid zal scheppen en de integratie van minderheden problematischer is dan ooit, blijft het politieke veld open voor de geestelijke navolgers van Fortuyn. De normale intellectuele reflexen zijn inmiddels zodanig uitgeschakeld dat men in brede kring gelooft dat Fortuyn toch wel `ergens gelijk moet hebben gehad'.

Die laatste gedachte kan een linkse criticus van het populisme zoals Eckardt natuurlijk niet gemakkelijk toelaten. Dat neemt niet weg dat hij in zijn analyse van het integratievraagstuk unverfroren een aantal fortuynismen overneemt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het door hem gesignaleerde onvermogen (of de onwil) van Nederlanders om stevige kritiek te leveren, en dus een intensievere wisselwerking aan te gaan met `vreemde' culturen en religies, zoals de islam.

Het blijft in Nederland bij een vriendelijke desinteresse, ook wat betreft de duistere plekken in de eigen geschiedenis, zoals driehonderd jaar kolonialisme en (pikant voor een jonge Duitser!) een sterk gemystificeerde waarneming van de Tweede Wereldoorlog. Volgens Eckardt is er nergens in Europa zo'n progressief discours gevoerd over de multiculturele maatschappij, maar is dit nergens zo weinig bij de burgers zelf aangekomen als in Nederland. Hoewel er een zwaar taboe rust op racistische uitlatingen, is er wel degelijk sprake van alledaags racisme en van allerhande vermijdingsstrategieën. Die hebben het rechts-extremistische potentieel onderhuids verbreid en het georganiseerde racisme juist in de kaart gespeeld. Het linkse kamp vertoonde hiertegenover slechts één reflex: stop het racisme, stop de haat. Maar het kan onze linkse criticus toch niet zijn ontgaan dat Fortuyn dit ook allemaal naar voren bracht?

Januskop

Eckardt zet op die manier het populisme vooral neer als een projectie van cultureel en politiek onbehagen dat in laatste instantie voortvloeit uit economische onzekerheid. De televisiedemocratie is voor hem niet meer dan een uitlaatklep voor volkse frustraties en voor een politiek die zich verlaagt tot inhoudsloos spektakel. Dat wil zeggen dat hij geen antenne heeft voor de dubbelzinnigheid van de populistische politiek, waarin het `kwade' en het `goede' zeer dicht op elkaar zitten. Enerzijds streven populisten naar het herstel van een mythische volkseenheid en een homogene nationale identiteit, die een harde assimilatie eist aan alles wat vreemd is. Anderzijds leveren zij een radicale kritiek op de gesloten partijendemocratie die het alternatief suggereert van meer directe, persoonsgerichte en mediagevoelige vormen van democratische representatie. Het is onmogelijk om de Fortuyn-schok goed te begrijpen zonder die Januskop te zien, en dus ook het democratisch `gelijk' van het populisme te erkennen. Juist het `on-Nederlandse Nederlanderschap' van Fortuyn levert in dit opzicht een sleutel om na te denken over een verdere democratisering van de democratie, ook in Duitsland en de rest van Europa.

Frank Eckardt: Pim Fortuyn und die Niederlande. Populismus als Reaktion auf die Globalisierung.

Tectum Verlag, 237blz. €29.90