Tweeduizend alter ego's

Een groot kunstenaar is altijd saaier dan zijn werk. Neem René Goscinny, de veel te jong gestorven Fransman die excelleerde in verrassende stripscenario's met vier, vijf grappen per pagina. In series als Astérix (1959-'77), Lucky Luke (1962-'77) en Iznogoud (1962-'77) toonde hij zich een meester in woordspelingen, naamgrappen, parodieën, visuele kolder en absurdistische dialogen; in de verhalencyclus Le petit Nicolas (1956-'64) verplaatste hij zich met hilarisch resultaat in de denkwereld van een zevenjarig kwajongetje. Toch is er over zijn leven niet veel bijzonders te vertellen. De workaholic Goscinny werd geboren in Parijs (14 augustus 1926), emigreerde met zijn oostjoodse ouders in 1928 naar Buenos Aires, leerde het vak van stripmaker in New York en Parijs, was in 1959 een van de oprichters van het stripblad Pilote, en publiceerde vanaf de jaren vijftig 150 stripalbums, waarvan in totaal 500 miljoen exemplaren verkocht zijn. Alleen zijn dood was opmerkelijk: hij stierf op 5 november 1977 aan een hartaanval, op de hometrainer tijdens een cardiologisch onderzoek.

`Moi, c'est l'autre' placht Goscinny te zeggen, waarbij hij – enigszins vals bescheiden – doelde op de grote talenten met wie hij succesvolle duo's vormde: Uderzo, Morris, Tabary, Sempé. Een schrijver is zijn personages, moet de eindredacteur van de onlangs uitgekomen Dictionnaire Goscinny gedacht hebben. Tweeduizend stripfiguren maken hun opwachting in deze voorbeeldig vormgegeven en rijk geïllustreerde pil; 654 zijn afkomstig uit Lucky Luke, 387 uit Astérix, 232 uit Iznogoud, 123 uit Le petit Nicolas, de rest uit (in Holland) minder bekende strips als Oumpah-Pah, Benjamin et Benjamine, Modeste et Pompon en Spaghetti. Per album en alfabetisch worden ze allemaal zo uitvoerig mogelijk beschreven, inclusief de uitleg van hun naam, een kenmerkend citaat en eventueel een verwijzing naar de publieke figuur van wie ze een karikatuur zijn. Tussendoor staan lichtblauwe kaders met interessante informatie (wist u dat president Pompidou het idee leverde voor Asterix en de Helvetiërs? of dat Billy the Kid in het gelijknamige Lucky Luke-album van de censuur niet als baby aan een revolver mocht sabbelen?). Als extraatje worden interviewcitaten en zelfs fragmenten uit de oorspronkelijke scenario's van Goscinny afgedrukt, soms van scènes die in de uiteindelijke strips gesneuveld zijn.

Astérix beslaat het leeuwendeel van de Dictionnaire Goscinny: 240 bladzijden. Wie thuis de 24 Asterix-albums in vertaling heeft staan, en bovendien kampt met roestig Frans, zal misschien matig geïnteresseerd zijn in de uitleg van de naamgrappen waarin Goscinny uitblonk. De meeste namen zijn in het Nederlands anders, zoals die van de ziener Prolix, die bij ons Xynix heet; en zelfs de oorspronkelijk gehandhaafde namen van Assurancetourix (`allriskverzekering') en Abraracourcix (`met verkorte armpjes' = agressief) zijn in de nieuwste Nederlandse edities gewijzigd (in Kakofonix en Heroïx). Maar er blijft veel over ter lering en vermaak. Zo wist ik nog wel dat de voormalige Franse president Giscard d'Estaing een bijrol speelde als belastingontvanger in Asterix en de koperen ketel, maar niet dat de geslepen technocraat Adolescentus uit Obelix & co. een karikatuur is van Jacques Chirac – destijds, in 1976, premier. (Chirac komt trouwens nog een keer terug in de Dictionnaire, want Goscinny liet hem in een twee jaar ouder krantenstripje de hand schudden van de gewetenloze grootvizier Iznogoud, bij wijze van commentaar op Chiracs bezoek aan de toenmalige heerser van Bagdad, Saddam Hussein).

Astérix is, net als Lucky Luke en Iznogoud, uitstekend vertaald – uitspraken als `rare jongens die Romeinen' en `teken toch bij, zeiden ze' zijn ten minste zo goed als de Franse equivalenten. Hoeveel er tóch verloren kan gaan, wordt duidelijk uit de Dictionnaire. Een goed voorbeeld is de passage in De Romeinse lusthof waarin een Numidische slaaf, gesterkt door toverdrank, een barse bewaker een oplawaai verkoopt. Het commentaar van de omstanders luidt in het Nederlands: `Je moet ze ook nooit iets vragen, die Numidiërs.' In het Frans speelt Goscinny met de woorden sèchement (`bars' maar ook `droog') en humide (`vochtig'): `Il ne faut jamais parler sèchement à un Numide.' De passage is in Frankrijk net zo beroemd geworden als de bladzijdenlange Victor Hugo-parodie in Asterix en de Belgen (`Waterloo! morne plaine' – `Waterzooie! morne plat') die in het Nederlands ook verloren gaat.

Behalve verplichte kost voor de fan – die niet gauw genoeg zal krijgen van lijstjes met `de raarste gerechten in Astérix' en `de 23 figuren met wie de hond Rataplan zijn baasje Lucky Luke verwisselt' – is de Dictionnaire een monument voor Goscinny als scenarist. Het is verbluffend om te zien hoe ook alle visuele grappen, waarvan je zou denken dat ze door de tekenaars verzonnen zijn, door Goscinny woord voor woord en soms zelfs inclusief schetsjes werden beschreven. Terecht werd René Goscinny de eerste scenarist die in even hoog aanzien stond als een striptekenaar. Maar op die erkenning heeft hij tot begin jaren zestig moeten wachten; de eerste negen Lucky Luke-albums waarvoor hij het scenario schreef stonden op naam van Morris, en alleen onder sommige plaatjes waren de initialen R.G. te vinden. Het was collega Hergé die Morris er in 1962 van overtuigde dat Goscinny's naam voortaan op de albums moest staan. Behalve door bewondering werd de schepper van Kuifje gedreven door eigenbelang: per slot van rekening was er in zijn ogen maar één iemand die recht had op de initialen R.G.: Rémi, Georges.

Aymar du Chatenet (red.):

Le dictionnaire Goscinny.

JC Lattès, 1248 blz. €44,95