't Syn wonderlijke dinghen'

Voor het eerst sinds Valerius' Gedenckclanck verschijnt er een bloemlezing die de vaderlandse geschiedenis poëtisch in kaart brengt. Ineens zijn Jules Deelders schelddichten in hun historische context te plaatsen.

Wie de historie van ons land wil bestuderen is niet alleen aangewezen op geschiedenisboeken, er is ook een poëtisch genre dat zich erover ontfermt, het historische gedicht. Het historische gedicht, in naslagwerken ook wel `historielied' geheten', bezingt, of beknort als het zo uitkomt, vaderlandse gebeurtenissen uit het verleden. Het beroemdste historische gedicht, afgezien van het Wilhelmus dat het tot nationale hymne bracht, is waarschijnlijk wel Vondels `Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt, vader des vaderlants'. Wie het leest ziet direct dat het schrijvers van historische gedichten niet per se om objectieve geschiedschrijving te doen was, maar dat ze ook graag de lezer hun standpunten opdrongen. Vondel, en mede door zijn Stockske vierhonderd jaar later het hele Nederlandse volk, gispte de executie van Oldenbarnevelt.

Het historische gedicht is een merkwaardig genre. Heldendichten ressorteren eronder, waarin nationale heroën worden bezongen, maar even zo goed gedichten als Vondels `Stockske', waarin politieke of maatschappelijke misstanden over de hekel worden gehaald. Het bloeit vanzelfsprekend vooral op als er sprake is van bezielde nationale gevoelens, zoals tijdens de Tachtigjarige Oorlog of de Tweede Wereldoorlog, Maar daarnaast zijn er ook in alle tijden gedichten geschreven die de geschiedenis van ons land historisch in kaart trachten te brengen. Neem bijvoorbeeld deze regels van H.H. ter Balkt:

Oudste getuigenis, de vuistbijl en de priem,

werktuigen opgevist uit de Noordzee;

millennia lang joegen rendierjagers

met harpoen ook op eland en bever.

Met dit gedicht opent de bloemlezing Het historische gedicht. Uiteraard begint zo'n historische bloemlezing bij onze eigen prehistorie, de vuurstenen en de pijlpunten, en dan zo verder tot in onze tijd. Immers, niet de schoonheid regeert hier, maar de geschiedenis, en dus passeer je onvermijdelijk de Tachtigjarige Oorlog, Van Speyck en de Duitse bezetting. Maar de muze van de geschiedenis, Clio, is ook die van de roem en de heldendaden, en dus kun je je afvragen in hoeverre het historische gedicht de historische perken te buiten mag gaan. Is bijvoorbeeld de Ilias van Homerus met al die heroïsche verzinsels een historisch gedicht? Of wat te zeggen van het gedicht `De zondvloed' van Jacobus Revius, dat onlangs nog mocht opdraven in een moderne animatiefilm De ark van Noach. En hoe zit het met Karel ende Elegast, dat zo wervend begint met `Vraye historie en de al waer/ Maghic u tellen, hoorter naer', waarna een onwaarschijnlijk verhaal volgt over Karel die aan de vooravond van de Rijksdag uit stelen gaat?

Misschien is het goed om streng te zijn, want bijna ieder oud gedicht weerspiegelt wel iets van de tijd waarin het geschreven werd waardoor het ook als een soort historisch vers gelezen kan worden. Maar het ware historische gedicht levert dichterlijke reflectie op waargebeurde geschiedenis, de vaderlandse geschiedenis in dit geval. Die laatste beperking vind ik wel spijtig want nu kan het historische `gedicht' dat ik zelf al jaren met me mee draag, er niet in. Het is een readymade van Cees Buddingh' en gaat als volgt:

Dordrecht 25 november 1963

L.S. wegens de gebeurtenissen in Amerika gaat de ouderavond niet door de avond wordt nu gehouden op maandag 9 december (over veertien dagen)

ook weer in de Meerpaal om 8 uur

de oudercommissie.

Maar de moord op Kennedy is kennelijk toch te zeer buitenlands nieuws, al werd ik er op de avond van 22 november 1963 te Haarlem wel degelijk voor uit mijn bed gehaald.

Het verbaast niet dat het historische gedicht lange tijd vooral een vaderlandslievende aangelegenheid was. Aan welke kant de dichter politiek gesproken ook stond, hij bezong op zijn manier de natie. Daarbij kwam het nogal eens tot bijpassend geronk. Neem bijvoorbeeld het gedicht van A.C.W. Staring waarin hij een jaar na dato de slag bij Waterloo herdenkt, `Waar Nassaus telg zijn bloed vergoot'. Waar heeft-ie het over, vraag je je af, tot een gang naar de geschiedenisboeken uitwijst dat het om een lichte verwonding van de toenmalige kroonprins, de latere koning Willem II, ging. Overdrijven is ook een kunst, en niet de minste als het om historische gedichten gaat.

Voor hedendaagse lezers is zulk chauvinisme allang niet meer vanzelfsprekend en dat maakt waarschijnlijk dat het genre langzamerhand een beetje uit het zicht van de dichtkunst is geraakt. Sinds Valerius' Gedenckclanck uit 1626 is dit de eerste bloemlezing die de vaderlandse geschiedenis voor een groot publiek poëtisch in kaart brengt.

Het zijn daarbij niet alleen de grote gebeurtenissen die langstrekke

n. Naast zo'n verplicht hoogtepunt als de Slag bij Nieuwpoort passeren we evengoed het uitsterven van de dodo onder Nederlandse directie op Mauritius. En zo mag ook de weinig fameuze oogarts Marcus Ulpius Heracles, die we alleen via een archeologisch vondstje kennen maar die wel de laatste Romeinen uit de lage landen zag opkrassen, hier gerust opdraven, al valt zijn optreden nauwelijks onder de officiële geschiedschrijving. Historische gedichten worden geschreven door tijdgenoten die zich ergens over opwinden, zoals Vondel over Maurits en Menno Wigman over premier Kok, maar ze kunnen evengoed terugblikken op een roemrijk of intrigerend verleden en krijgen dan een randje nostalgie; zo blikt de achttiende-eeuwse Hieronymus van Alphen tevreden terug op de vrede van Munster en bezingt Willem Wilmink een schip van de Oost-Indische compagnie.

Die gelijke kansen voor tijdgenoten en terugblikkers geeft Het historische gedicht bij alle chronologische orde toch een aangename mengeling van oud en modern taalgebruik. De `oudste' gedichten zijn zelfs noodgedwongen vanuit een veel later perspectief geschreven, omdat in de steentijd en de vroege Middeleeuwen nu eenmaal geen vaderlandse schrijvers en chroniqueurs voorhanden waren.

Voor koffiedikkijkers is in een historische bloemlezing vanzelfsprekend geen plaats. Toch doen sommige schrijvers aan een bescheiden vorm van waarzeggerij. Herman Gorter bijvoorbeeld in zijn bekende, inmiddels vooral vertederende gedicht `De arbeidersklasse danst een grote reidans', met als toekomstdroom voor jongens en meisjes: `Deze zullen 't beleven dat de lichte/ lichamen der mensen overal dansen/ in vrijheid.' Het pakte anders uit, maar zo'n voorbeeld laat wel zien dat een historisch gedicht toch wel wat anders is dan een koel geschiedenisboek. Herhaaldelijk gaan gevoelens en emoties met de dichters op de loop en dat is ook precies waarom veel van deze gedichten zo'n merkwaardige sensatie bij de lezer van nu veroorzaken. Ze brengen nationale opwinding door de eeuwen heen in beeld, zoals tegenwoordig televisiedocumentaires dat doen. Soms is het alsof je vooraan staat bij vreemde demonstraties in een ver land, tussen de leuzen en de spandoeken.

Een hoogtepunt in het genre is het anonieme Antwerpse gedicht `Den Munsterschen trommel-Slagh Op den Hollandschen Troon', gericht tegen de Noord-Nederlandse geuzen. De schrijver dreunt maar door alsof hij de vijand met een boksbeugel bewerkt:

Ghy dwalende Gecken,

Ghy gierige Vrecken,

Ghy bloedige Rijgers,

Ghy Waerheyt verswijgers,

Ghy Sacken vol leugens,

Ghy Valsche geteugens,

Ghy boose Rebellen,

Ghy Sathans gesellen'.

En dan hetzelfde gedicht in travestie door onze nationale drekpoëet Willem Godschalck van Focquenbroch, die zijn Antwerpse collega de bal onverwijld terugkaatste:

Ba neen doch; wy schijten

Eens in uw verwijten;

Want 't kan ons niet deeren,

Aen rock of aen kleeren.

Of ghy ons voor Ketters

Voor Beelden-verpletters,

Voor Branders, voor Stoockers,

Voor Nickers, voor Roockers.

Voor Roovers, en Branders,

Komt schelden, of anders,

Ghy moogt aen die gecken

Der Maersen eens lecken.

Schelden konden ze in ieder geval, die zeventiende-eeuwers. Afkeer van tegenstanders was nog een ongebreideld goed. Het aardige van zulke verzen is dat we opeens ook, bien étonné, Jules Deelder in een historische context kunnen plaatsen, want diens langademige optelsom van antipathieën `Change of the century', geschreven naar aanleiding van de laatste millenniumwende, lijkt rechtstreeks bij Focquenbroch en geestverwanten aan te sluiten:

Voorts ben ik van mening dat George Bush

verwoest dient te worden. Zo ook Piet Grijs,

de Heilige Stoel en die verschrikkelijke

kwal van een Karel van het Reve.

Verder de dragers van oversized pakken

met broeken zonder vouw en voorgekreukte

jasjes; de ontwerpers van oversized pakken

met broeken zonder vouw en voorgekreukte

jasjes en – last but not least – die

oversized pakken met broeken zonder vouw

en voorgekreukte jasjes zelve.

En zo gaat het nog tientallen regels door, ten teken dat ouderwetse onvrede nog altijd bestaat. Toch lijken we het echte schelden op een gegeven moment enigszins verleerd. Kijk maar eens naar het rijmpje over Anton Mussert, vervaardigd door de hofleverancier van `Het historische gedicht', Anoniem:

Moeder, vertel eens wat

van Anton Mussert!

Als geest een bastaard.

Als leider een prul.

Innerlijk een lafaard.

Uiterlijk een l..

Meer dan de aanval op de NSB-leider, over wiens uiterlijk we hier toch nieuwe inzichten te horen krijgen, valt op dat de dichter, hoe onzichtbaar ook, toch het woord `lul' kennelijk nog niet durfde te bezigen. Het befaamde gedicht van Remco Campert `Niet te geloven' met de historische regels `Alles zoop en naaide' en een gedicht van Vaandrager `De wet', waarin de bloem der natie tegen het standbeeld van Van Hogendorp loopt te pissen, leren ons dan weer dat het met zulke tijdelijke preutsheid inmiddels ook weer lijkt gedaan. Wat deze bloemlezing dus ongemerkt ook is: een kleine cultuurgeschiedenis.

Het gebeurt vaker in deze historische gedichten, de aandacht wordt nogal eens getrokken door zaken die de dichter niet zo bedoeld zal hebben. Een vrolijk makend voorbeeld is dat van Matthijs Cramer, een zeventiende-eeuwse zedenmeester die men in geen enkel naslagwerk zal terugvinden; in zijn gedicht `Hoererij' trekt hij van leer tegen het vermeend achterlijke, wrede en vooral ook wellustige karakter van de heidense medemens rond 1670, om vervolgens als remedie tegen zoveel onchristelijke geilheid aan te bevelen: `Neerlands zaad gij hoort te lichten,/ als een fakkel, voor dit volk.'

Natuurlijk, het historische gedicht moet ergens over gaan, het is niet in de eerste plaats bedoeld om lyrisch op te wieken of schoonheid te bezingen. Toch valt er voor de poëzieliefhebber wel degelijk te genieten. Zo werd ik geraakt door het verbaasde stoplapje aan het begin van het anonieme gedicht `Van Graef Floris ende Gheraert van Velsen': `'t sijn wonderlijke dinghen', waarna de Middeleeuwen losbranden in de vorm van een grafelijke vrouwengek en een verraderijke neef.

Het zijn vaak de tussenzinnetjes die blijven hangen. De mooiste misschien wel in het gedicht `Vanden storm van Munster' met weer veel geweld, onrecht en heldendom, maar aan het eind even onderbroken door het persoonlijke gepiep van de auteur:

Wistent mijn vader ende moeder thuys,

Si souden mi helpen trueren.

Maar ouders wisten vaak niet op welk slagveld hun kinderen rondhingen, want

niemand had dit soort gedichten in de kast. Wij wel.

Bovenstaand artikel is een bewerkte en bekorte inleiding bij de bloemlezing `Het historische gedicht', samenstelling Toef Jaeger, uitg. Podium, €12,95. De bundel komt 19 januari uit.

Schelden konden ze in ieder geval, die zeventiende-eeuwers

Het zijn vaak de tussenzinnetjes die blijven hangen