Suriname komt eerst

Een bekende Nederlandse politicus waarschuwde in 1963 in de Tweede Kamer voor de `bijzonder onaantrekkelijke kanten' van de nationalisten in Suriname, die de onafhankelijkheid van hun land nastreefden. Zij zouden volgens hem `in strijd met de notie van democratie' handelen. De uitspraak komt niet van een conservatief VVD- of KVP-Kamerlid maar van Joop den Uyl, die tien jaar later als PvdA-premier een warm pleitbezorger werd van Surinaamse onafhankelijkheid. In het PvdA-blad Socialisme & Democratie verscheen in 1963 nog een artikel met als strekking dat Surinaamse nationalisten aan een `fascistische dictatuur met Creolen aan de top' werkten. Onderwijspsycholoog Edwin Marshall, zelf van Surinaamse afkomst, diepte de curieuze citaten op voor zijn proefschrift. De nationalisten, onder aanvoering van advocaat Eddy Bruma, werden in Nederland lang met wantrouwen bekeken. Van negers uit Suriname die Afrikaanse leiders als Nkrumah en Lumumba bewonderden, kon je niet veel goeds verwachten. Dat wantrouwen werd vakkundig gevoed door de populaire Surinaamse creoolse leider (en premier) Jopie Pengel, die in Bruma's beweging potentiële concurrentie zag. De Nederlandse inlichtingendienst BVD deed ook een duit in het zakje. De verwijten waren allemaal zonder veel grond.

Genoeg redenen dus voor een wetenschappelijke studie naar het Surinaams nationalisme, dat zich vooral in de jaren vijftig van de vorige eeuw ontwikkelde als een creoolse culturele emancipatiebeweging. Het beste boek erover schreef journalist John Jansen van Galen met Hetenachtsdroom. Suriname, erfenis van de slavernij (besproken in Boeken, 24.02.00). Hij laat vele nationalisten aan het woord, die vertellen over hun geslaagde streven naar erkenning van de Surinaamse taal (sranan tongo), hun politieke dromen en hun grote decepties.

Marshall belooft een `integrale' studie van het Surinaamse nationalisme. Zijn doel is de ontwikkeling van dit nationalisme `te doordenken op consequenties voor de toekomst van Suriname', vooral op het gebied van het onderwijs. Een loffelijk streven. Het is daarom des te onbegrijpelijker, en eigenlijk onvergeeflijk, dat Marshall de periode van de militaire dictatuur onder Desi Bouterse vanaf 1980 geheel buiten beschouwing laat. In het eerste kabinet na de militaire coup zaten heel wat representanten van Bruma's Partij Nationalistische Republiek (PNR). Bruma zelf was kabinetsformateur. Als geen ander ge- (of mis-)bruikte Bouterse nationalistische symbolen. Twee nationalisten, advocaat Eddy Hoost en media-eigenaar André Kamperveen, waren in 1982 bij de slachtoffers van de onder leiding van Bouterse gepleegde decembermoorden.

Marshall interviewde voor zijn boek uitvoerig de inmiddels overleden Bruma, die medewerking aan Nederlandse onderzoekers weigerde omdat de geschiedenis van het nationalisme volgens hem door Surinamers moest worden geschreven. Bruma erkent dat de creoolse nationalisten `kennis, kunde en vaardigheden' misten om andere etnische groepen (vooral hindoestanen) mee te krijgen. Veel meer levert het gesprek met Bruma helaas niet op. Het boek van Marshall, die ook een vergelijking maakt met het nationalisme in verwante Caraïbische landen als Guyana en Trinidad, brengt geen nieuwe feiten. Na alle archiefonderzoek en interviews slaagt de auteur er jammergenoeg ook niet in het `verhaal' van het Surinaams nationalisme enigszins tot leven te wekken.

Edwin Marshall: Ontstaan en ontwikkeling van het Surinaams nationalisme. Natievorming als opgave. Eburon, 341 blz. €22,–