Pakistan moet nucleair vergiet dichtmaken

`Die Renaissance der Kernwaffen' luidde de kop boven het commentaar van Nikolas Busse in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 15 september vorig jaar. Het artikel sneed het probleem aan van de `nucleaire parvenu Duitsland' in een wereld van steeds verder uitwaaierende nucleaire kennis en grondstoffen. De auteur zocht een oplossing in het ,,ten minste nog éénmaal nadenken over een anti-raketverdediging, nu volk en regering ook met de Amerikanen niet meer zo goed uitkomen, die tot dusver het nucleaire schild ter beschikking stelden''.

Busse schreef op een moment dat het thema kernwapens ,,terug van weggeweest'' leek te zijn. De veronderstelde dreiging van Iraakse massavernietigingswapens was zojuist gewapenderhand weggenomen, maar de nucleaire ondernemingslust van landen als Iran en Noord-Korea zorgde nog steeds of opnieuw voor hoofdbreken. Intussen kan de vraag worden gesteld: ,,Zijn de kernwapens weg van teruggeweest?'' nu Iran, Noord-Korea en Libië hun atomaire ambities zeggen te hebben opgegeven en internationale delegaties en inspectieteams toelaten om een en ander te verifiëren. Ten overvloede hebben twee erkende en elkaar bedreigende kernwapenstaten, India en Pakistan, besloten dat zij over hun voornaamste geschilpunt, de kwestie-Kashmir, met elkaar kunnen spreken.

Het klinkt allemaal verrassend geruststellend, maar de beleden ommekeer van de zogenoemde `schurkenstaten' kan niet verhelen dat het verdrag tegen spreiding van kernwapens op z'n zachtst gezegd niet optimaal heeft gefunctioneerd. Dat nu bijna 35 jaar oude verdrag beoogde de ontwikkeling te bevriezen. Bij de inwerkingtreding van het verdrag waren er vijf mogendheden de VS, de Sovjet-Unie, China, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk die over de middelen beschikten om een nucleaire oorlog te voeren. Weliswaar bestonden en bestaan er grote verschillen in atomair vermogen tussen de vijf onderling, maar elk van deze landen beschikte en beschikt over de kennis en het vermogen om kernbommen te produceren alsmede de bommenwerpers en raketten te vervaardigen waarmee die bommen naar een doel worden gebracht. Het verdrag kwam er kortweg op neer dat geen nieuwe leden tot de club van erkende bezitters zouden worden toegelaten en dat alles zou worden gedaan om mogendheden te verhinderen de nucleaire status te bereiken.

Formeel is het verdrag een succes gebleken. De grote meerderheid van VN-leden sloot zich erbij aan. Maar desondanks is proliferatie niet voorkomen. De gedachte dat het internationale recht op zelfverdediging in het nucleaire tijdperk de beschikking over kernwapens insluit, beperkte zich niet tot de vijf erkende kernwapenlanden. India bleef buiten het pact en verwierf de atoomstatus onder verwijzing naar China. Ook Pakistan bleef een outsider en verwierf de atoomstatus onder verwijzing naar India waarop India zich nog eens rechtvaardigde, nu onder verwijzing naar Pakistan.

Israël wordt gezien als een kernwapenstaat, die deze status bereikte om zich in laatste instantie en zonodig de Arabische massa's, dan wel, tot vorig voorjaar, de veronderstelde massavernietigingswapens van Saddam Hussein van het lijf te houden. Het westerse gedoogbeleid ten aanzien van Israël is in islamitische landen van tijd tot tijd aangeroepen als rechtvaardiging van het ontwikkelen van `islamitische' massavernietigingswapens, zij het dat deze wapens in de praktijk zijn ingezet tegen eigen minderheden en tegen islamitische buren. Iran vond in dat laatste een extra rechtvaardiging voor zijn atoomprogramma.

Het verdrag kent drie zwakheden. Niet alle staten traden toe, een aantal toetreders schond de door hen aanvaarde verplichtingen, en achter het verdragsmatig toegestane gebruik van atoomtechnologie voor zogenoemde vreedzame doeleinden heeft zich nogal eens een programma tot het ontwikkelen van kernwapens verborgen.

De karakteristiek van schurkenstaten, al dan niet verbonden met internationale terroristen, heeft de nadruk gelegd op militaire oplossingen voor het proliferatievraagstuk. Nu blijkt dat Pakistan, tientallen jaren lang bondgenoot van Amerika, al die tijd een lekkend vergiet is geweest van kennis ten behoeve van de productie van kernwapens. Dankzij de spionage door dr. Abdul Qadeer Khan, `vader van de Pakistaanse atoombom', tijdens diens tewerkstelling in de jaren '70 bij Urenco in Nederland, heeft Pakistan de kennis verworven voor het ontwikkelen van de ultracentrifugetechniek voor het verrijken van uranium. Het Pakistaanse programma, mede gefinancierd door kolonel Gaddafi van Libië, hielp niet alleen Pakistan zelf aan een kernbom, maar verschafte het bovendien de middelen om andere landen verder te helpen op de weg naar de bom. Met Noord-Korea zette het een ruilhandel op waarbij nucleaire kennis werd uitgewisseld tegen kennis op het gebied van de ontwikkeling van ballistische raketten voor de lange afstand. Pakistan speelde tegelijkertijd een rol bij de ontwikkeling van het Iraanse verrijkingsproject en, zoals nu is gebleken, eveneens bij een vergelijkbaar programma in Libië.

In oktober vorig jaar werd een Duits vrachtschip onderschept met een lading van enkele duizenden onderdelen voor de bouw van ultracentrifuges bestemd voor Libië. Eerder had het schip Dubai aangedaan. De aard van de lading wees op Pakistan als land van oorsprong, maar van Amerikaanse kant werd vergoelijkend op de aanwezigheid van een zwarte markt voor dergelijke onderdelen gewezen. Duitse deskundigen ontkenden tegenover de Frankfurter Allgemeine Zeitung het bestaan van een dergelijke markt. Het gaat volgens hen om een kleine groep van atoomtechnici en andere vaklui die geïnteresseerde regeringen de nodige kennis verschaffen dan wel behulpzaam zijn bij de aanleg van de nodige installaties.

Vraag: behoort dr. Khan tot die groep particuliere ondernemers of handelde hij in opdracht dan wel met medeweten van opeenvolgende Pakistaanse regeringen? Zijn instituut, `A.Q. Khan Research Laboratories', gevestigd in de buurt van Islamabad, werd in 1998 getroffen door Amerikaanse sancties wegens de vermelde ruilhandel met Noord-Korea.

Maar sinds de aanslagen op de Twin Towers zijn de Amerikaans-Pakistaanse betrekkingen weer aanzienlijk warmer geworden. Toch zullen de vragen rond Pakistans rol bij de verspreiding van kernwapens dienen te worden beantwoord, wil een nieuw, ditmaal effectief non-proliferatieregime kunnen worden opgezet. Als het vergiet kan worden gedicht, behoeven `nucleaire parvenu's' als Duitsland zich geen zorgen meer te maken.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.