Miskend ben ik zeker

In de jaren zestig ontwierp de schilder Constant een model voor een ideale wereld. Toen zag niemand er wat in, nu wel. ,,Menselijk gezien is er grote behoefte aan.''

é, dat lijkt een beetje op mijn naam en handtekening!'' Verbaasd kijkt Constant naar de folder van de overzichtstentoonstelling van Rem Koolhaas in de Neue National Galerie in Berlijn. `Content' staat erop in ronde, ietwat druipende letters. Misschien een hommage van Rem Koolhaas aan hem en Nieuw Babylon. ,,Denkt u?'' mompelt hij. ,,Wonderbaarlijk toch hoe Nieuw Babylon de laatste tijd weer in de belangstelling staat. En dat terwijl ik het vijfendertig jaar geleden al heb afgesloten. Klaarblijkelijk is men er nu pas aan toe.''

Constant, geboren in 1920 als Constant Nieuwenhuys, heeft reden om zich te verbazen. In Nieuw Babylon, dat tegenwoordig als een van de meest inspirerende kunstwerken van de 20ste eeuw wordt beschouwd, komt al het zo verguisde idealisme van de jaren zestig samen. Aan de hand van maquettes, tekeningen, schilderijen en teksten biedt het een visioen van een wereld die gemaakt is door en voor de mens. Een grenzenloze wereld waarin architectuur en stedebouw, kunst en wetenschap, filosofie en politiek niet meer langs elkaar heen werken of elkaar uitsluiten, maar zich richten op één en hetzelfde doel: een leefwereld creëren waarin geen onderscheid meer bestaat tussen creativiteit en sociale activiteit, kunst en leven.

Een mooie droom. Maar wat moeten we ermee? Is Nieuw Babylon niet het zoveelste bewijs dat de kunst geen enkele invloed op onze leefwereld uitoefent? Of is het juist de barstensvolle uitdrukkingsvorm van iets wat de hele 20ste eeuw lang in de kunst zijn trouwste bondgenoot heeft gevonden: een diep en onuitroeibaar verlangen naar een wereld waarmee de mens op glorieuze wijze samenvalt.

Voor Constant zelf, zo zal ook tijdens ons gesprek blijken, is Nieuw Babylon allang een gepasseerd station. In 1969 zette hij er, uitgeput door te veel onbegrip, na tien jaar onafgebroken werken een punt achter. Hij keerde terug naar de schilderkunst die hij in de jaren veertig als mede-oprichter van Cobra had omhelsd en in 1953 publiekelijk van zich af had geworpen. Sindsdien is hij iedere dag achter zijn ezel te vinden.

Maar het slotgebaar van de kunstenaar betekende niet de dood van zijn werk. Na een luwte in de jaren tachtig, de meest cynische en geldzuchtige periode die de kunst heeft gekend, bloeide in de late jaren negentig de belangstelling voor Nieuw Babylon weer op. In 1998 werd de maquettes die in het Haags Gemeentemuseum stonden te verstoffen, nieuw leven ingeblazen met een bevlogen presentatie in Witte de With en een prachtig bijbehorend boek van Mark Wigley: Constant's New Babylon, The Hyper-Architecture of Desire. In 2001 volgde een retrospectieve tentoonstelling in het Musée Picasso in Antibes en in 2002 vulden de maquettes een ruime zaal op de Documenta in Kassel. Op dit moment staan er in de Neue National Galerie vijf op de verdieping onder de ontwerpen, foto's en teksten van Koolhaas en zijn architectenbureau OMA. Als de sprankelende voedingsbodem van Nederlands beroemdste architect.

We zitten in de `muziekkamer' van Constants huis, een grachtenpand in het oudste deel van Amsterdam, met schuinweg een uitzicht over het IJ. De kunstenaar, bijna 84 jaar oud, heeft nog steeds het lange, smalle gezicht en de heldere bruine ogen van de foto's uit zijn jonge jaren. Hij praat met zachte stem en zal tijdens ons gesprek zijn beleefde afstandelijkheid geen moment laten varen. Af en toe roept hij iets vrolijks naar zijn onafscheidelijke hond, een kleine witte bastaard die zich bij voorkeur in zijn nek nestelt. Liefdevol toont hij de fraaie, oude snaarinstrumenten die overal hangen en staan en vertelt van muzieksessies waarbij hij gitaar en mandoline speelde en Asger Jorn viool. ,,Jorn is dood'', zegt hij, ,,net als zoveel anderen die ik in die tijd kende. Ik ben veel met Jorn opgetrokken. Hij is met mijn eerste vrouw getrouwd en heeft voor twee van mijn kinderen gezorgd.''

Constant ontmoette Jorn in 1946 in Parijs, waar ze een jaar later samen met onder meer de Belg Dotremont, Karel Appel en Corneille de Cobra-groep oprichtten. Zijn vriendschap met de Deen hield zelfs stand toen de meningsverschillen over de positie van kunst en kunstenaar in de samenleving hoog opliepen. Jorn verdedigde het bijzondere individualisme en de unieke verbeelding van de kunstenaar. Constant verwierp dit als een romantisch, overspannen zelfbeeld van kunstenaars. In een manifest uit 1958 dat opvallend actueel aandoet, riep hij op tot samenwerking met architecten en wetenschappers. ,,Het is de taak van de kunstenaars'', schreef hij, ,,om nieuwe technieken te ontwikkelen en daarbij gebruik te maken van licht, geluid, beweging en alle andere uitvindingen die effect kunnen hebben op de leefomgeving.'' Pas als kunst in brede zin met de samenleving integreert, kan ze werkelijk iets betekenen.

Constant had toen al zes jaar geen bemoeienis meer met de Cobra-groep, die hij bestempelde als een mislukking. Ze had, vond hij, `pseudo-experimentele kunst' voortgebracht en was gebaseerd op een volkomen vals idee van vrije kunst. Kunst, en zeker de schilderkunst, is niet vrij, maar `de slaaf van een kunstmatig in leven gehouden verleden, en van de handel. (...) De geschiedenis van de moderne kunst is, om commerciële redenen, in ongelofelijke mate vervalst.'

Werkelijk vrije kunst zette zich niet af tegen de industriële en technologische ontwikkelingen van de samenleving, maar wist hiervan juist optimaal gebruik te maken om haar eigen doelstellingen te bereiken.

Deze aanvaarding van de samenleving zoals hij is, is de basis van Constants filosofie. `De nieuwe cultuur zal een massacultuur zijn, of helemaal niet zijn', schreef hij een paar jaar later. Hij kreeg meer dan gelijk, zoals we nu zien, en de kunstwereld weet er net als toen nog steeds geen raad mee.

,,Ik ben een realist'', zegt hij nu, ,,geen idealist.'' Misschien is dat de ware reden waarom het misging tussen hem en Guy Debord.

Spektakelmaatschappij

Constant ontmoette de Franse filosoof in 1956 tijdens een diner in Parijs en de twee hadden onmiddellijk contact. ,,Debord was een bijzonder intelligente man'', vertelt Constant, ,,een echte intellectueel. Hij publiceerde veel en had ook verschillende teksten van mij gelezen. Zijn politieke theorieën over de urbane samenleving waren erg belangrijk voor mij. Wat hij over de `spektakelmaatschappij' schreef was visionair. We leven nu in een maatschappij die gefundeerd is op spektakel.''

Debord ontleende op zijn beurt inspiratie aan Constant. De kans dat zijn door Marx gekleurde theorieën over `de revolutionalisering van het dagelijks leven' concreet konden worden via de politiek, was nihil, wist hij. Maar met culturele middelen was misschien wél iets te bereiken. De radicalisering van kunst en architectuur die Constant voorstond, leek nieuwe mogelijkheden te bieden. Net als de filosoof keerde de kunstenaar zich tegen `de burgerlijke mens' met zijn geprogrammeerde opvatting van geluk en bepleitte een avontuurlijke en `spelende' mens, een homo ludens zoals de historicus Johan Huizinga deze zo bevlogen had beschreven in het gelijknamige boek uit 1938. Ook waren beide mannen het erover eens dat deze nieuwe mens pas kon ontstaan als zijn leefwereld zou veranderen van een puur op functie gericht decor in een speelveld van wat Debord `situaties' noemde, ervaringen van ruimte die niet alleen fysiek op de mens inwerken, maar ook en vooral mentaal. En Constant had daar grootse plannen voor.

Deze plannen, die het fundament zouden worden van Nieuw Babylon, hebben een belangrijke impuls gegeven aan de Internationale Situationniste, de naam waaronder Debord, Constant, Jorn en een kleine groep geestverwanten vanaf 1957 in Parijs opereerden. Ze brachten de beweging ertoe door pamfletten en provocerende acties strijd te voeren voor het `utilitaire urbanisme': een dynamische vorm van stedenbouw die meebewoog met de enorme maatschappelijke veranderingen, veroorzaakt door de snelle bevolkingstoename, overvloedig veel vrije tijd, ingrijpende technologische uitvindingen en een alles overwoekerende groei van de communicatie- en massamedia. Toch zou Constant zijn ideeën uiteindelijk buiten de Internationale Situationniste om verder ontwikkelen.

,,Maar niet omdat ik werd geroyeerd!'' Constants ogen schieten plotseling vuur en voor het eerst wordt de drift achter deze aardige, beleefde man zichtbaar. ,,Dat schreef de kunsthistorica Willemijn Stokvis, maar ze zal wel geen Frans kunnen lezen. Kijkt u maar in de brieven, Debord heeft duidelijk geschreven: `Constant a choisi de quitter I.S.' Choisi! Gekózen! Debord heeft er alles aan gedaan om mij binnen de I.S. te houden. Maar ik was het totaal oneens met de nieuwe trend die ze volgden. Ze gingen weer met de schilderkunst in zee, organiseerden eenmanstentoonstellingen, want dat krijg je bij schilderkunst. Daar hoort het idee van individuele creativiteit bij, terwijl ik in de synthese van de kunsten geloofde. Het ergste was dat het `urbanisme utilitaire' op de achtergrond raakte. Toen heb ik mij teruggetrokken. Maar al mijn belangrijke teksten zijn in het archief van de I.S. opgenomen. En Debords vrouw is mij altijd alle publicaties van en over hem blijven toesturen, ook na zijn dood. Hij heeft zichzelf in 1994 met een karabijn in zijn maag geschoten.''

Na de breuk begint Constant te bouwen aan Nieuw Babylon, `de stad van intense, grootstedelijke verlangens'. Met een tomeloze gedrevenheid zet hij maquettes in elkaar, maakt tekeningen en schilderijen, schrijft teksten, houdt lezingen. De stad die hij voor zich ziet is een gigantisch labyrintisch complex dat zich op hoge poten boven de aarde verheft. Eronder circuleren allerlei vormen van transport. De verschillende etages van de stad zijn met liften en trappen bereikbaar en vrijwel geheel overdekt en geklimatiseerd. Ze vormen met hun vele niveaus en terrassen een enorme gelaagde ruimte die door zijn flexibele functies, klimaatverschillen en licht- en geluideffecten steeds weer nieuwe verrassingen biedt. Hier kunnen de Nieuw-Babyloniërs als moderne nomaden ronddwalen, ,,op zoek naar nieuwe ervaringen en nog onbekende sferen. Zonder de passiviteit van toeristen, maar volledig bewust van de macht die zij hebben om invloed uit te oefenen op de wereld en deze te transformeren en te herscheppen.''

Geen utopie

De mens als kunstenaar: je hoort de droom van de jaren zestig. Maar voor Constant was Nieuw Babylon geen droom. Zelfs geen utopie, zoals hij ook nu nadrukkelijk stelt. ,,Een utopist bedenkt iets wat in de fantasie bestaat, maar niet realiseerbaar is. Nieuw Babylon is wel degelijk realiseerbaar. De technische middelen zijn er, menselijk gezien is er grote behoefte aan en vanuit sociaal oogpunt is er een dwingende noodzaak.''

Utopist of niet, er spreekt wel het verlangen uit naar een betere wereld en een betere mens. Maar ook dat bestrijdt hij: ,,Geen betere wereld, maar een andere wereld. Een wereld die in de basis al aanwezig is, want de mens heeft nu veel vrije tijd, is zeer mobiel en communiceert over alle grenzen heen.''

Maar Constant zal toch wel iets anders voor ogen hebben gehad dan de `ervaringseconomie', het massatoerisme en de spelletjesmens van nu? Hij schokschoudert: er is geen grond voor somberte. Nieuw Babylon heeft volop kans om zich te realiseren. De mens van nu speelt en zwerft wellicht anders dan hij, Constant, zich toen kon voorstellen, maar zijn veranderende levenswijze en behoeftes zullen in de stedenbouw en architectuur tot uitdrukking komen. Want als de mens verandert, verandert dat zijn leefomgeving. Hóe dat gebeurt en op welke gronden weet hij niet. Dat is ook zijn zaak niet: hij is kunstenaar, geen ideoloog. ,,Ik heb geen ideale stad ontworpen, zoals Le Corbusier'', zegt hij nadrukkelijk. ,,Nieuw Babylon is geen model dat nagevolgd moet worden, maar een illustratie van een levenswijze in een veronderstelde samenleving. Die levenswijze is in beginsel nomadisch. Dat houdt in dat de huidige mens al trekkend over de aarde sporen achterlaat die een netwerk kunnen vormen. Een stad als een netwerk. Nieuw Babylon is een nomadische stad. Niets ligt vast.''

Constant kent het werk niet van MVRDV, Lars Spuybroek, UN Studio en andere jonge, succesvolle Nederlandse architecten. Hij weet dus ook niet dat zijn ideeën over dynamische architectuur resoneren in de villa van de VPRO in Hilversum, het waterpaviljoen op de Neeltje Jans en museum Het Valkhof in Nijmegen. Hij weet wel dat hun grote roerganger, Rem Koolhaas, zijn werk grondig heeft bestudeerd, maar daar wil hij verder niets over zeggen.

Voelt hij zich miskend? ,,Nou, ik heb er niet onder geleden, maar miskend ben ik zeker. Men wist jarenlang niet wat men met mijn werk aan moest. Ik heb boeken over Nieuw Babylon in eigen beheer moeten uitgeven.''

Eind februari komt er een tentoonstelling van zijn schilderijen in het Cobra-museum. In zijn atelier, een grote, lichte ruimte op een van de oostelijke eilanden in Amsterdam, trekt hij samen met Trudy Nieuwenhuys, zijn eenentwintig jaar jongere, derde vrouw, uit hoge rekken schilderijen tevoorschijn. Grote doeken met prachtige kleuren die vaak in schril contrast staan tot het beeld dat ze te zien geven: een man wachtend op het genadeschot, een zwart weeskind, een lange rij bannelingen. Het zijn ontheemden in een wereld van alleen maar kleur. Een ongevormde wereld, schitterend maar onbarmhartig. Hij wijst op een landschap dat vrijwel geheel uit okers is opgetrokken en het grote doek helemaal vult. Slordig liggen er een paar witte vlekken in, lijkwades, te kort om een arm, een been, een hoofd te bedekken. ,,Deze is gemaakt naar aanleiding van een moordpartij in Rwanda'', zegt hij. ,,Ik schilder de werkelijkheid zoals ik hem vlak na de oorlog of nu op tv heb gezien. Nieuw Babylon kan ik niet schilderen. Die realiteit kan ik niet overzien.''

`Nieuw Babylon is een nomadische stad. Niets ligt vast'

`Ik schilder de werkelijkheid zoals ik nu op tv zie'