Migratie zal niet stoppen

De ontwikkelingen in de internationale migratie dwingen ons tot een herbezinning van maatschappelijke instituties zoals de verzorgingsstaat, meent Han Entzinger.

Paul Scheffer schuwt de grote woorden niet. Nadat hij vier jaar geleden het multiculturele drama over ons afriep, signaleert hij nu een `moralisering van de migratie' (Opinie & Debat, 10 januari). Zij die zich hieraan schuldig maken, hanteren bij de toelating van nieuwe migranten niet de behoeften van de ontvangende samenleving als uitgangspunt, maar de lotsverbetering van de migrant. Volgens hem ben ik zo'n moralist, want ik zou pleiten voor verruiming van arbeidsmigratie, ook van laaggeschoolde mensen.

De werkelijkheid ligt anders. Ik pleit niet zonder meer voor meer immigratie, laat staan van laaggeschoolden. Wel stel ik vast dat, ondanks een steeds strenger wordend toelatingsbeleid, het niet wil lukken de aantallen nieuwkomers wezenlijk omlaag te krijgen. Het aantal asielzoekers in Nederland mag dan fors zijn gedaald, voor Europa als geheel is het nagenoeg stabiel gebleven; er is vooral sprake van een verschuiving naar andere landen.

Ook in economisch zware tijden blijven migranten komen, deels omdat de arbeidsmarkt erom blijft vragen, deels omdat zij daartoe het recht hebben, als vluchteling of wegens familiebanden. Deze trend is niet alleen in de hele westerse wereld zichtbaar. Dat is de feitelijke situatie.

Als we daarvan uitgaan, rijst de vraag hoe de gevolgen hiervan in goede banen geleid kunnen worden. Onze sociale instituties bestaan bij de gratie van afgrenzing, want niet iedereen kan meedoen. Als die afgrenzing onvoldoende mogelijk is, moeten de instituties worden aangepast. Als landsgrenzen niet meer goed werken, moeten de grenzen elders komen.

Wil de Nederlandse verzorgingsstaat migrantiebestendig zijn, dan moeten de inburgerings- en integratie-inspanningen geïntensiveerd worden. Komen desondanks toch te weinig nieuwkomers aan de slag, dan zal het beroep op sociale voorzieningen onder hen verder toenemen. Nu al behoort 40 procent van de bijstandsgerechtigden in Nederland tot de niet-westerse allochtonen, terwijl zij maar 10 procent van de bevolking uitmaken. Naarmate deze cijfers verder uiteen gaan lopen, zal de roep om verandering toenemen. Binnen het huidige stelsel zou dat vooral neerkomen op een versterking van de al bestaande neiging om die voorzieningen dan voor iedereen te verminderen.

Een andere mogelijkheid is om meer differentiatie aan te brengen in het sociale stelsel. Rechten kunnen bijvoorbeeld uitdrukkelijker afhankelijk worden gesteld van verblijfsduur. Als nieuwkomers pas na zekere tijd aanspraak kunnen maken op bepaalde voorzieningen, en daarvoor aanvankelijk ook geen premies en belastingen hoeven betalen, zijn zij voor werkgevers goedkoper en kunnen ze gemakkelijker een plek vinden op de arbeidsmarkt. Hierin schuilt wel het gevaar van concurrentievervalsing en verdringing van bestaande arbeidskrachten. Een andere optie zou zijn, migranten na verloop van tijd te laten terugkeren met medeneming van alle door en voor hen betaalde premies. Zo wordt vermeden dat zij – net als de gastarbeiders van weleer – belanden in wat Paul Scheffer aanduidt als een ,,gesubsidieerd isolement''.

Elke keuze voor meer differentiatie druist in tegen gevoelens van gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid, die kenmerkend zijn voor onze sociale rechtsstaat. Maar voortgaande immigratie leidt welhaast onontkoombaar tot meer ongelijkheid binnen westerse samenlevingen, en dus tot een hardere klassenmaatschappij. In een wereld met vervagende landsgrenzen kan een te grote kloof tussen arm en rijk niet voortbestaan. Arm zal naar rijk trekken, en binnen de rijke samenlevingen zullen de verschillen mede hierdoor toenemen.

Het wegnemen van internationale handelsbarrières – het alternatief dat Scheffer voorstaat (en ik trouwens ook) – zal zeker bijdragen aan verkleining van de kloof, maar de migratie zal er niet door stoppen. Vrijere handel is overigens ook niet pijnloos. Flink wat werkgelegenheid zal hierdoor uit (West-)Europa wegtrekken. Waarom zou de tuinbouw in Nederland blijven als tomaten uit Marokko niet alleen veel lekkerder, maar ook nog veel goedkoper zijn? Het verplaatsen van werkgelegenheid naar lagelonenlanden is allang aan de gang. Eerst hebben we grote delen van de industrie zien verdwijnen, en nu is de dienstensector aan de beurt, vooral die delen waarbij de technologie een grote rol speelt (banken, reserveringssystemen, call centres). De westerse landen zijn typische kenniseconomieën aan het worden.

Waar zulke economieën behoefte hebben aan migranten, liggen die vooral aan de bovenkant én aan de onderkant van de arbeidsmarkt: hooggeschoolden en ongeschoolden; de laatsten dan vooral in de niet-verplaatsbare delen van de dienstensector. In West-Europa vormen beide categorieën momenteel een probleem. Duitsland bijvoorbeeld heeft wervingsprogramma's voor hooggeschoolden in het leven geroepen – mede met het oog op de aankomende vergrijzing – maar tot nu toe met beperkt succes. Zij gaan liever naar Canada of de Verenigde Staten. Laag- en ongeschoolden komen wel het land in (als gezinslid of vluchteling bijvoorbeeld), maar ze komen niet aan het werk, omdat ze zich niet concurrerend kunnen aanbieden. Het gevolg hiervan is dat velen in een uitkeringssituatie terechtkomen, terwijl de vraag naar laaggeschoold werk wordt vervuld door illegalen.

Daarom is het van groot belang om naar oplossingen te zoeken, ook al zullen die welhaast onontkoombaar tot meer ongelijkheid leiden. Óf het voorzieningenniveau gaat omlaag, óf de lonen voor laaggeschoolde arbeid dalen. Dat laatste zal vooral gebeuren in bepaalde, minder aantrekkelijke sectoren van de arbeidsmarkt die niet naar elders verplaatst kunnen worden, zoals schoonmaak, bouw en horeca. Die zullen ook steeds meer bevolkt gaan worden door werknemers met een migrantenachtergrond.

Voor de vakbeweging is dit alles geen aantrekkelijk vooruitzicht, maar is het niet de prijs die moet worden betaald voor hun eigen succes? De geslaagde emancipatie van de westerse arbeider heeft ertoe geleid dat het minst aantrekkelijke werk nu door anderen moet worden gedaan. En die anderen blijken daartoe maar al te vaak bereid. Sommigen wagen zelfs hun leven om met gammele bootjes naar Europa te komen in een poging hun lot te verbeteren.

Het moge duidelijk zijn: de ontwikkelingen in de internationale migratie dwingen ons tot een herbezinning op het functioneren van maatschappelijke instituties zoals verzorgingsstaat en arbeidsmarkt. Paul Scheffer ontkent de noodzaak daartoe, en betoogt dat de migratie dan maar beter onder controle moet worden gebracht. Dat dit onvoldoende gebeurt, is volgens hem een verwerpelijke uiting van een ,,zelfverklaard onvermogen'' van Nederland. Maar zijn stelling is in een steeds kleiner wordende wereld niet meer houdbaar, en komt neer op struisvogelpolitiek.

Prof.dr. H. Entzinger is hoogleraar migratie- en integratiestudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Samen met Jelle van der Meer redigeerde hij de bundel `Grenzeloze solidariteit. Naar een migratiebestendige verzorgingsstaat'.