Mensen in brand

De tentoonstelling `Vier eeuwen roken in de kunst' in Rotterdam is gewijd aan de verbeelding van het roken, van Jan Steen tot Frank Zappa.

Als het onderwerp van deze tentoonstelling `Vrijages in de kunsten: van olieverf tot celluloid' was geweest, en de samenstellers waren op dezelfde manier te werk gegaan, dan had ik ongeveer dit geschreven: heel interessant allemaal, leerzaam, veelzijdig, erudiet, en samengevat je reinste pornografie. Maar de expositie in de Rotterdamse Kunsthal is gewijd aan het roken in de kunsten. En bijna alles wat er te zien is, heeft meer of minder impliciet maar één boodschap: roken is lekker. Wie op 1 januari is gestopt en nog wat wankel in de schoenen staat, moet er niet heen. Dat zeg ik met de beste bedoelingen. Tegen wie rook-neutraal is, zich er nooit aan zal verslingeren of het zal blijven doen, zeg ik: ga kijken. Dit is een opgewekte tentoonstelling. Ook de rokers kennen hun diepe ernst, melancholie, treurigheid, maar op een of andere manier weten ze al rokend aan het klein gebeuzel, de pietluttigheid, de walging van deze en vroeger tijden te ontsnappen. Zo althans worden we door de kunstenaars gezien. Dat is de noemer van dit geheel.

Het begint al monter, met een schilderij van vier rokende apen. Dan strekt de tentoonstelling zich uit over ongeveer vier eeuwen, van Jan Steen, zijn Paar in slaapvertrek, waarop meneer zijn goudse pijp al heeft neergelegd terwijl mevrouw een dansje op de dekens maakt (omstreeks 1660), tot een foto van Frank Zappa, stervend aan prostaatkanker terwijl hij aan een sigaret trekt (1991). Vincent van Gogh, Paulus de Boskabouter, Jean-Paul Sartre, Heer Bommel, Sherlock Holmes en Dick Bos roken hun pijp. Beroemde pijprokers als Popeye the Sailor, Georges Simenon, Harry Mulisch en Josef Stalin ontbreken. Aan de sigaret zijn onder meer Lucky Luke, Max Beckmann, W.F. Hermans, Humphrey Bogart, Guust Flater, Peggy Guggenheim en Remco Campert. Hier missen we Jacques Brel, Ronald Reagan en Menno ter Braak. Dit bewijst dat een tentoonstelling over dit onderwerp niet volledig kan zijn. Maar mopper niet. Wees blij dat het nog kan. Want, zoals Benno Tempel in een van de begeleidende essays oppert, het is niet ondenkbaar dat over een paar jaar de afbeelding van de rokende mens zal worden verboden.

Dit zou dan ook betekenen dat een groot deel van onze schilderkunst uit de Gouden Eeuw en vrijwel de hele speelfilmproductie tot ongeveer 1990 alleen voor een speciaal gekwalificeerd publiek in zwaar bewaakte zaaltjes toegankelijk zou zijn. Vergelijk de musea van straks met de tabakswinkels van nu. Je moet je kunnen identificeren om er met wetenschappelijke bedoelingen in te mogen. Het volk heeft dan alleen nog smokefree movies en smokefree paintings, want tegen die tijd is het Nederlands een dode taal geworden.

Gouden Eeuw

In de Gouden Eeuw werd er ontzaglijk gerookt. De gewoonte was, leer ik uit de catalogus, afkomstig uit Amerika waar de Indianen het deden. Sommige stammen dan. Andere waren toen nog rookvrij, moesten het weer van de Conquistadores leren. Voor deze vreemdelingen hadden ze een treffende naam bedacht: mensen die in brand staan. In Europa is het begonnen met de lagere klassen: zeelieden, handwerkslui, studenten. Jacob Cats klaagde over de stank van brandende tabak. Maar te oordelen naar de schilderijen behoorde hij tot een minderheid. Adriaen Brouwer, Jan Steen, Pieter de Hooch hebben drink- en rookbacchanalen geschilderd. Op de gravures uit die periode gaat het nog harder toe. Kijk naar Rokers van Gillis van Scheyndel (1628) en let ook op het kind en de volwassene die misselijk zijn geworden.

De tentoonstelling gaat verder door de geschiedenis. Schilders gaan rokend op hun zelfportret: Edvard Munch, George Breitner, Jan Toorop, Max Beckmann, Hendrik Chabot. Geen van hen maakt er een grapje van. Ze kijken peinzend, vorsend, sceptisch, licht ironisch naar zichzelf. Maar niet somber, niet met zelfbeklag, en misschien met uitzondering van Munch, zonder een spoortje tragiek. De roker is in deze periode `de mens die weerbaar in de wereld staat'.

De vrouwen gaan ook roken, de sigaret is deel van de emancipatie. Roken wordt mondain, verleent allure, is het bewijs dat men alles onder controle heeft, geeft een opening tot nieuwe contacten (Sigaret? Vuurtje?), is de bevestiging van een overwinning, de troost na een nederlaag. Op het toppunt van zijn conjunctuur is het roken alles. En dit alles wordt hier in beelden overtuigend toegelicht.

Waarom is er zoveel gerookt? Er zijn medische en psychologische verklaringen. Nicotine, zegt men, veroorzaakt iets in het lichaam waardoor men zich beter kan concentreren, scherper op gevaar geconcentreerd is, weerbaarder wordt. Max Pam citeert in zijn essay, opgenomen in de catalogus, Jean-Paul Sartre. De schrijver-filosoof wilde een film maken, maar werd blind. In zijn laatste levensjaar werd hij, zwaar aangetast door emfyseem, geïnterviewd door een verslaggever van Newsweek. ,,Meneer Sartre, u bent blind, ziek. Waarom rookt u nog?'' Zoiets kan alleen een Amerikaan vragen. ,,Meneer'', zei Sartre. ,,Om te leven en te roken.'' Op de tentoonstelling heeft hij een pijp. Meestal rookte hij Boyars, de dikste, filterloze sigaret die, ook alweer lang geleden, verboden werd.

Het antwoord van Sartre komt dicht bij de opheldering. Alle verklaringen over de werking van nicotine daargelaten, denk ik dat in het bijzonder de brandende sigaret een mens kan verzoenen met zijn bestaan, en in het vervolg daarop hem de frisse moed geeft, of de moed der wanhoop, om aan de rest te beginnen. Het best wordt dat hier bewezen door het schilderij van Marcus Deljano, Zwerver in Chicago, van iemand die niets te verliezen heeft behalve zijn brandende sigaret. Daarom: er ontbreekt iets aan deze tentoonstelling. De foto's van soldaten aan het front, in de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Van de met modder bedekte havelozen in de loopgraven, een sigaret tussen hun lippen. En een paar tekeningen van Bill Mauldin, zijn infanteristen Willie en Joe, vechtend door Italië, Duitsland en, come rain come shine, altijd met een sigaret in de mondhoek. Wordt in Irak nog gerookt?

En ten slotte. Legio zijn de verhalen over ter dood veroordeelden die voor het vuurpeloton gevraagd wordt of ze nog een laatste wens hebben. Dat blijkt dan een sigaret te zijn. Kan dat nog in Texas? Wordt de veroordeelde daar niet verteld dat smoking kills, en dat tweedehands rook slecht is voor de gezondheid van de beul?

Godsdienst

Op zichzelf is de campagne tegen het roken een experiment zoals de wereld sinds de lancering van de laatste succesvolle godsdienst niet heeft beleefd. Met hermetische bewijsvoering heeft de wetenschap aangetoond dat roken slecht is. Zo is er nog veel meer slecht. Maar juist van deze zaak heeft overal in het westen de politiek zich meester gemaakt. Met wetgeving is de woede van de kiezers getrotseerd, en nu, na 40 of 25 jaar – het hangt ervan af waar je de campagne laat beginnen – komt de eindoverwinning in zicht. De grootste macht ter wereld is al bijna rookvrij. Dat resultaat komt bijna volledig voor rekening van medici en overheden. Is er zo'n tentoonstelling samen te stellen uit werk van kunstenaars die zich tegen het roken hebben verzet? Nee. Hoe komt dat? In die onbeantwoorde vraag ligt het geheim van de tabaksrook verborgen.

De tentoonstelling `Vier eeuwen roken in de kunst. Taboe en tabak: van Jan Steen tot Pablo Picasso' is t/m 14 maart te zien in de Kunsthal, Museumpark, Westzeedijk 341, Rotterdam. Inl.: 0104400301 of www.kunsthal.nl

Cat. €29,50.

De sigaret kan een mens verzoenen met zijn bestaan