Indonesië laat IMF-leiband los

Indonesië heeft op 1 januari het contract met het Internationaal Monetair Fonds beëindigd. Na een periode van harde maatregelen en hervormen onder druk gaat het land een verkiezingsjaar in vol gevaren en verleidingen.

Tussen de vuurpijlen van Oudejaarsnacht en die van Imlek (Chinees Nieuwjaar, 22 januari) schieten in Jakarta ook de beurskoersen omhoog. In 2003 is de index met maar liefst 65 procent gestegen en gisteren sloot de beurs voor de derde maal deze maand op een historische hoogte: 763 punten. Het laatste record dateert van 10 juli 1997 – 729 punten – en dat werd behaald voordat de Aziatische crisis oversloeg naar Indonesië.

Beursanalisten reppen van een ongekend optimisme, maar de rappe stijging maakt hen ook nerveus. De hausse van de laatste maanden is voor 80 procent te danken aan buitenlandse investeerders. Deze speculatieve beleggers hoeven maar even te schrikken – een relletje, een bom – of ze nemen weer de benen en dan krijgt de nu zo robuuste Indonesische munt, de roepia, klappen.

Het beleggersoptimisme is opmerkelijk, want deze maand zet de Indonesische economie haar eerste stappen los van de leiband. Vorig jaar juli hakte het kabinet van president Megawati Soekarnoputri de knoop door: het contract met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zou op 1 januari niet worden verlengd. Medio december besloot het Fonds tot uitbetaling van de laatste tranche, 505 miljoen dollar (404 miljoen euro), van een leningenprogramma ten bedrage van 5,3 miljard. Daarmee is een einde gekomen aan een periode van zes jaar waarin de Indonesische beleidsmakers opereerden in een strak financieel keurslijf. Af en toe hevig tegenspartelend, dat wel. Toen de Aziatische griep in 1997 toesloeg, vroeg Jakarta het IMF de klap te helpen opvangen van een pijlsnel depreciërende roepia. De munt kelderde toen duidelijk werd hoe ver de Indonesische conglomeraten hun nek in de strop hadden gestoken door te lenen met overgewaardeerde activa als onderpand.

Sindsdien is een groot deel van de particuliere schulden geherstructureerd door sluiting van banken en tijdelijke ondercuratelestelling van de rest. De tientallen miljarden dollars aan beleende activa werden ondergebracht in het Nationale Lichaam voor Herstructurering van het Bankwezen (BPPN), dat volgende maand zijn deuren sluit. De 5 procent die nog niet zijn verkocht, ter waarde van 4,7 miljard dollar, worden ondergebracht in een holding onder supervisie van het machtige departement van Staatsbedrijven.

Toen het kabinet van president Soeharto in maart 1997 op last van het IMF de brandstofprijzen verhoogde, ontketende dit een golf van sociale onrust die het regime niet wist te beteugelen. Ook Soeharto's opvolgers worstelden met de IMF-richtlijnen: een strakke begrotingsdiscipline, sanering van het bankwezen, privatisering van staatsbedrijven, faillietverklaring van dubieuze debiteuren en verdere afbouw van de vanouds hoge brandstofsubsidies. De samenwerking met het IMF was dan ook hoogst impopulair, zowel bij nationalistische politici als bij het grote publiek.

Jakarta durfde de leiband door te snijden omdat het macrobeeld er tegen het einde van 2003 niet ongunstig uitzag. In de jaren 2002-2003 trok de koers van de roepia aan met maar liefst 25 procent tegenover de verzwakkende dollar. De inflatie, die in 2002 nog ruim 10 procent bedroeg, werd in 2003 afgeremd tot iets meer dan 6 procent en de rentestand daalde van 13,5 procent in 2002 naar 8,7 procent in het afgelopen jaar. Omdat de aanvankelijk stormachtige kapitaalsvlucht tot bedaren kwam, stegen de deviezenreserves in 2003 met 11 procent naar 33,6 miljard dollar, dat is bijna dertien maal de maandelijkse import in 2003. Export en import stegen in de eerste zeven maanden van 2003 met respectievelijk 10 en 12 procent. Een mooi succes was de beteugeling van het begrotingstekort tot binnen de grenzen die het Europese Stabiliteitspact stelt.

Om het vertrouwen van de internationale geldschieters niet te verliezen, is het kabinet met het IMF een periode van `nazorg' (post program monitoring) overeengekomen en bracht het een `White Paper' uit met uitgangspunten voor de komende jaren. De doelstellingen klinken schoon, maar zijn volgens analisten te zwak onderbouwd met streefcijfers en termijnen. Het kabinet van Megawati zegt de `macro-economische en fiscale consolidering' te zullen voortzetten, evenals de `hervormingen van de financiële sector', en hard te zullen werken aan verhoging van de investeringen, de export en het aantal arbeidsplaatsen.

Vrome wensen? Wel als de zittende regering bezwijkt voor electorale verleidingen, zoals opschorting van de subsidieafbouw en van de privatisering van staatsbedrijven, of als de campagne uit de hand loopt. Niet als de verkiezingskoorts kan worden beheerst en als de nieuwe regering, ook zonder de disciplinerende werking van het IMF-contract, de afbouw van de omvangrijke en corrupte staatssector voorzet.