Hoefgetrappel van Japanse klompen

Het filmfestival Rotterdam opent met `Zatoichi', een vechtfilm van Takeshi Kitano vol goed verstaanbare beeldtaal. De regisseur speelt zelf mee: als een zwijgzame, blinde masseur.

Binnen drie minuten heeft de hoofdpersoon razendsnel drie tegenstanders gedood en dan gaan we met een rustig muziekje op de achtergrond eens kennismaken met de rest van de hoofdrolspelers. Ook hierbij vloeit het nodige bloed, er wordt wat gehakt, er wordt wat gewurgd. Maar we zien ook de omgeving, stijlvol Japan, en we hebben een paar mooie vrouwen in beeld gekregen.

Wie denkt, James Bond is vroeg dit jaar: dit is Zatoichi (spreek uit zato-ietsjie) van Takeshi Kitano. Prijswinnaar op het festival van Venetië, komende woensdag openingsfilm van het Filmfestival van Rotterdam. Zo aanstekelijk dat de verwende gasten in Venetië de laatste tien minuten naast hun stoelen stonden te dansen. Zo vrolijk, zo spannend, zo lekker dat doorgewinterde Nederlandse filmcritici elkaar na afloop van de persvoorstelling aanstootten en zeiden: `Die moet in City 1 draaien, dit wordt een megahit.' (Voor wie het niet weet, City is een bioscoop in Amsterdam waar eigenaar Pathé voornamelijk de mainstream Amerikaanse films en Nederlandse succesfilms als Pietje Bell vertoont.)

En we mijmerden over hoe dat zou gaan. Een groepje rotjongens dat zijn zaterdagavondhormonen had willen afreageren op S.W.A.T. of Scary Movie 3, hangt met de pest in het lijf in de foyer van City rond omdat die films allebei zijn uitverkocht, en ze hebben Kill Bill al twee keer gezien. Zegt een van hen: Hee, er draait ook een Japanse vechtfilm, zullen we daar dan heen? Dat ze in de zaal gaan zitten en steeds denken: laten we weggaan, fuck man, kan jij al die spleetogen uit elkaar houden? Maar dat ze niet weg kúnnen, omdat het flitsende zwaard dat de blinde masseur uit zijn stok tevoorschijn trekt, ze aan hun stoel nagelt. Dat de rinkelende muziek hun bloeddruk vanzelf iets opjaagt en dat zich dan het aangename gevoel van hen meester maakt dat ze hier goed zitten.

Natuurlijk, ze vinden het fijn als een zwaard dwars door een lichaam steekt en van die computerrode bloeddruppels door de lucht spatten. Maar zouden ze niet ook lachen om die ene schurk die net iets te dicht naast zijn handlanger staat als die zijn zwaard trekt, zodat de schurk een snee in zijn bovenarm krijgt en daar nog altijd verontwaardigd over is als de masseur zijn handlanger al heeft opengereten? Typisch Kitano-grapje, maar wat doet het er toe of je dat weet of niet? Je ziet het en je lacht, klaar.

Zouden ze meteen weglopen als de film even vertraagt? Maar ze zullen toch ook glimlachen als een handjevol Japanse boeren op het ritme van de muziek het veld met hakken bewerkt? Of in elk geval wanneer de blinde masseur feilloos houtjes hakt, de losse stukken feilloos achter zijn rug op een stapel gooit en, als iemand achter hem hinderlijk heen en weer loopt, feilloos zo'n stuk hout op diens hoofd mikt.

Het zijn allemaal scènes waarin de enige taal beeldtaal is en zeer goed verstaanbare beeldtaal, dat is Kitano wel toevertrouwd.

Modderstraat

Dat de jongens zich moeten verplaatsen in de tragiek van twee kinderen wier rijke familie door een bende compleet is afgeslacht en die sindsdien jarenlang op zoek zijn naar de daders, dat gaat toch bijna vanzelf als ze zien hoe slim die inmiddels volwassen kinderen, vermomd als geisha's, de ene na de andere man verleiden en beroven of zelfs vermoorden.

En waarom zouden zulke jongens de schoonheid niet willen zien van een regenbui, in een zorgvuldig vanuit de hemel verdeeld kader: tweederde voor de modderstraat, eenderde voor het rieten dak. Beide delen van het beeld in nagenoeg dezelfde tinten, je ziet pas echt waar de grens tussen beide is als iemand met een felrode paraplu uit huis de straat op stapt. En als ze dat slaapverwekkend vinden, dan zien ze in dezelfde regenbui die rare boertjes weer op het veld. Nu voeren ze een soort klompendans uit in de modder, even ritmisch als eerder dat gehak met de werktuigen. Het houdt abrupt op als een boertje een ander omverduwt.

Dat intussen een ingewikkeld plot wordt opgebouwd, van schurken die tegen weer andere schurken vechten, kan die City-jongens niet schelen zolang er maar bloed vloeit. Kon iemand na één keer kijken soms de plot van Once Upon a Time in the West navertellen?

Zouden samoeraifilms alleen in Amerikaanse gedaante de wereld kunnen veroveren? Kill Bill en The Last Samurai, die allebei in Pathé-bioscopen draaien, zijn niet de eerste Amerikaanse films die in Japan leentjebuur hebben gespeeld. Sergio Leone heeft voor zijn (en Clint Eastwoods) eerste spaghettiwestern A Fistfull of Dollars goed gekeken naar de samoeraifilm Yojimbo van Kurosawa en John Sturges werkte Kurosawa's meesterwerk Shichinin no samurai (Seven Samurai) om tot The Magnificent Seven.

Vorm en inhoud van Takeshi Kitano's Zatoichi liggen heel dicht bij wat we uit Amerika kennen. Het klosgeluid van de Japanse klompen klinkt als hoefgetrappel, de houten veranda's geven het geterroriseerde dorpje het aanzien van een willekeurig westernstadje. Kitano zelf speelt als de witharige blinde masseur/samoerai een rol die aan de oudere Clint Eastwood herinnert. Zoals de blindeman in een van regenwater glinsterend zwarte jas een groep tegenstanders tegemoet loopt, dat is helemaal Unforgiven. Dat de blinde man ten slotte met hulp van een onhandige gokverslaafde en twee jonge vrouwen een complete bende uitschakelt, is een rode draad die ze in Hollywood ook hadden kunnen verzinnen.

Kitano heeft daarbij wel zijn eigen beeldmerken bewaard. In de meeste van zijn films speelt hijzelf de hoofdrol (hij is zijn carrière ook als acteur begonnen en zo rijk genoeg geworden om films naar eigen inzicht te maken) en is hij een eenzame, zwijgende vechtjas – gangster of politieman, dat maakt niet uit. Zatoichi is zijn elfde film en zijn eerste kostuumfilm, maar of hij nou een blauw yakuza-pak met wit overhemd draagt of een grauwgroene kimono, altijd zit die uitgestreken kop van hem erboven, met van die kleine zenuwtrekjes om zijn mond. Hij zwijgt liever dan hij praat, grinnikt veel en doodt de tijd met spelletjes die hij altijd wint. Hier is het een dobbelspel, waarbij hij onfeilbaar de twee dobbelstenen op even of oneven aantal terecht hoort komen.

Andere stijlkenmerken: de stomme introductie van hoofdpersonen en vaak al even stomme flashbacks die het reliëf van de gemoedstoestand achter hun effen gelaatsuitdrukking tonen. En zoals in zijn tot nog toe beste film Hana-bi (1998) de beelden van het lopende verhaal soms abrupt werden doorbroken door stille opnamen van felle schilderijen, zoals de handeling in Dolls (2003) werd gelardeerd met het optreden van marionetten, zo gebruikt hij in Zatoichi de muziek. Rijmend met het beeld, zoals bij de genoemde boertjes of werklui. Of heersend, zoals in de laatste scène van de film, één groot tapdansfeest, waar alle goede personages nog eenmaal hun opwachting maken. Dit was de zindering die in Venetië de festivalgasten uit hun stoelen trok. Het is niet zomaar een pretscène, maar ook het moment waarop de zonden van het dorpje worden weggewassen.

Maar ja, festivals, dat is hoge cultuur hè. Dat zijn de mensen die zich met geen tien paarden City laten intrekken. Dat zijn er dus altijd minder dan de massa's die voor City in de rij gaan staan. Tot dusver was het tobben met Kitano's films in Nederland. De harde, maar geestige gangsterfilm Sonatine kreeg in 1994 welgeteld 420 bezoekers naar de filmhuizen. Sindsdien zijn Kitano's films in Nederland wel wat beter bezocht, zoals Violent Cop en Kikujiro, maar de 10.000 bezoekers hebben ze nooit gehaald. Hana-bi trok de meeste mensen, ruim 9.100.

Vreemd toch, de actie in Kitano's films is harder dan alles wat Bruce Willis uit de kast trok in zijn Die Hard-reeks, de personages die hij erin speelde hadden nog meer gevoel voor zelfspot dan John McClane. Ze waren alleen tragisch, stierven meestal aan het slot, en dat hoeft Bruce Willis natuurlijk nooit. Wie naar de film wilde voor een lekker partijtje bloed (fameuze scènes zoals het uitprikken van een oog met chopsticks), die had ook best bij Kitano terecht gekund.

Cultnacht

Ga me nou niet vertellen dat alleen Amerikaanse films de kloof tussen hoge en lage cultuur kunnen overbruggen. Dat alleen Quentin Tarantino de filmhuisfan naar City kan lokken en de City-jongens naar een cultnacht. (Even tussen haakjes, als Tarantino dacht dat hij, met hetzelfde gezag als waarmee hij Little Green Bag van The George Baker Selection een hippe status gaf in Reservoir Dogs, nu via Kill Bill de panfluittonen van George Zamfir salonfähig kon maken – vergeet het maar. Zelfs het smaakverwarrende cultgenre heeft zijn grenzen.)

Het verschil zit misschien in de richting van de oversteek. Tarantino gaat met laag naar hoog, Kitano moet van hoog naar laag. Tarantino neemt pulpelementen en verveelvoudigt dan de inzet. Is het al overdreven dat één iemand tien mensen verslaat? Dan baant zijn heldin zich een weg door 88 gangsters. Tarantino heeft met zijn vele citaten uit pulpfilms (en heel veel Aziatische films) de lage cultuur omhooggebracht. Dat is makkelijker dan andersom. Je kunt een fijnproever wel een plezier doen met een hamburger, maar kun je een McDonald's-jochie ervan overtuigen dat-ie rauwe vis moet proeven?

We gaan het zien. Want Zatoichi komt in februari uit – nee, niet in City 1, maar wel in een ander Pathé-theater: de Munt in Amsterdam. (En daarnaast in tien filmhuizen.) ,,We willen deze film een kans geven'', zegt David Dabekaussen, bij Pathé medewerker op de afdeling Programmatie. Volgens hem hangt Zatoichi ertussen, tussen hoog en laag. En in Pathé de Munt draaien films voor beide doelgroepen, dus als de gedroomde oversteek ergens zou moeten kunnen plaatsvinden, dan hier.

Waarom zou Zatoichi slagen waar de andere films van Kitano faalden? Volgens Dabekaussen is het bewustzijn dat Aziatische films bestaan langzaam gegroeid. Het begint nu tot de Kill Bill-bezoekers door te dringen dat, als Tarantino zijn inspiratie uit Japan haalde, Japanse films zelf misschien ook de moeite waard zijn.

Dat Pathé de film programmeert, zal zeker invloed hebben. Het toegenomen succes van de Nederlandse film in de afgelopen vijf jaar heeft wel laten zien dat de manier waarop een film in de bioscoop wordt gebracht, een belangrijke factor is, of kan zijn, in het succes ervan. ,,We zullen zien of de tijd nu rijp is'', zegt Dabekaussen.

En zo komen straks na afloop van Zatoichi al die toevallig in de zaal geparkeerde rotjongens die eigenlijk The Return of the King hadden willen zien, even opgewonden naar buiten als de nuffige Venetianen en de zure Hollandse critici. En ze sms'en naar al hun vrienden `kitano=cool'.

`Zatoichi' is te zien op het International Film Festival Rotterdam. Het is de openingsfilm op woensdag 21 januari. Verder draait hij vrijdag 23 en zondag 25 januari nog op het festival. Vanaf 5 februari is hij in heel Nederland te zien in elf bioscopen. (Onder voorbehoud)

Er wordt gehakt, er wordt gewurgd

Maar we zien ook stijlvol Japan

Maar ja, festivals, dat is hoge cultuur hè